Mijn man wil eindelijk met pensioen, maar ik kreeg op mijn 64e ineens de kans waar ik jarenlang van droomde
De map ligt al drie weken op de eettafel, tussen de fruitschaal en de folders van de supermarkt. Er staat met zwarte stift ‘Atelier De Linde’ op. Koos schuift hem elke avond een stukje opzij als hij de krant wil lezen. Niet demonstratief, juist heel voorzichtig. Alsof hij bang is dat ik ontplof als hij hem in de kast legt.
Ik ben Ellen, 64, en Koos is 66. Hij werkt nog vier dagen per week bij het waterschap. Al 39 jaar ongeveer hetzelfde soort werk: vergunningen, inspecties, eindeloze overleggen over sloten en waterstanden waar ik eerlijk gezegd nooit veel van snapte. Hij is er goed in. Degelijk, precies, nooit ziek behalve toen hij zijn galblaas moest laten verwijderen. Iedereen op zijn werk zegt dat ze niet weten wie zijn dossiers moet overnemen als hij stopt.
Zelf werkte ik jarenlang in de administratie van een fysiopraktijk. Drie dagen per week, later twee. Daarnaast maakte ik linodrukken. Eerst kaarten voor verjaardagen en geboortes, daarna kleine posters, kalenders, van die simpele Nederlandse landschappen met hoge luchten en scheve schuurtjes. Ik deed het aan de keukentafel. Als de inkt niet van mijn handen wilde, liep ik soms met blauwe vingers naar de Albert Heijn.
Koos noemde het altijd mijn geknutsel. Niet gemeen, denk ik. Hij vond het oprecht leuk dat ik er zo blij van werd. Hij hing mijn eerste ingelijste print in de hal en stuurde foto’s ervan naar zijn collega’s. Maar voor hem bleef het iets voor erbij. Iets wat je doet als het buiten regent en de kinderen uit huis zijn.
De afgelopen twee jaar ging het ineens harder. Via Instagram, waar mijn dochter Marije me min of meer toe gedwongen heeft, kwamen er bestellingen. Eerst twintig kaarten. Toen een winkel in Utrecht die er vijftig wilde. Vorig najaar stond ik op een makersmarkt in Zwolle. Daar raakte ik aan de praat met Hanneke, die een kleine drukwerkplaats in Friesland heeft. Zij organiseert cursussen, verkoopt eigen werk en doet opdrachten voor musea en gemeenten.
Ze wil stoppen. Haar man is ziek en zij wil dichter bij hun dochter in Duitsland wonen. Ze had mijn werk gevolgd en vroeg of ik haar atelier wilde overnemen.
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte.
Het gaat om een oud schoolgebouw aan de rand van een dorpje bij Dokkum. Een grote ruimte met persen, kasten vol loden letters, droogrekken en een klein winkeltje aan de voorkant. De huur is volgens Hanneke redelijk, maar er moet veel gebeuren: elektra, isolatie, een nieuwe website, voorraad papier en inkt. Zij wil ook een deel van haar apparatuur verkopen. Alles bij elkaar zou ik ongeveer 75.000 euro nodig hebben om het goed te doen.
Dat bedrag opschrijven voelt nog steeds vreemd. Vijf-enzeventigduizend euro. Alsof ik het over iemand anders heb.
Wij hebben spaargeld. Niet omdat we rijk zijn, maar omdat Koos altijd zuinig is geweest. We kochten dit huis in Amersfoort in 1998, hebben bijna nooit dure vakanties gedaan en hij heeft ieder jaar iets opzijgezet. Ons huis is grotendeels afbetaald. Maar een deel van dat geld is ook bedoeld als overbrugging tot mijn AOW en voor als er iets gebeurt. Koos heeft een redelijk pensioen opgebouwd, maar we zijn niet het soort mensen dat zonder nadenken een camper koopt of een tweede huisje in Frankrijk.
Toen ik het hem vertelde, zei hij eerst helemaal niets. Hij sneed zijn aardappels kleiner dan nodig was. Daarna vroeg hij: ‘Dus dan moeten we naar Friesland?’
Ik zei dat het niet per se meteen hoefde. Dat ik misschien door de week daar kon zijn en in het weekend thuis. Terwijl ik dat zei, hoorde ik zelf al hoe belachelijk het klonk. Een bedrijf run je niet vanaf de A28.
Koos legde zijn vork neer. ‘Ellen, ik stop straks met werken. Ik heb me daar jarenlang op verheugd. We zouden meer naar Marije gaan, een keer met de caravan naar Denemarken. Oppassen als Noor ziek is. Niet jij in een oud schoolgebouw in Friesland en ik hier alleen met de vuilnisbakken.’
Dat laatste bleef hangen. Niet het geld. Niet eens de verhuizing. De vuilnisbakken.
Onze dochter woont twintig minuten verderop, met haar vrouw en twee kinderen. Onze zoon Bas woont in Hilversum en komt minder vaak, maar als hij komt blijven ze meestal eten. Koos is opa op een manier die ik niet had voorzien. Hij bouwt treinbanen op de vloer, weet precies welke boterham Noor wel eet en staat bij ieder zwemlesdiploma met een veel te grote bos bloemen.
Ik wil dat helemaal niet kwijt. Dat heb ik ook gezegd. Maar ik wil ook niet alleen oma worden omdat mijn leeftijd dat blijkbaar van me vraagt.
De week daarna hebben we een afspraak gemaakt bij een onafhankelijk financieel adviseur. Ik had gehoopt dat zij zou zeggen dat het financieel best kon, dat Koos dan misschien zou ontspannen. Maar zij was vooral nuchter. Het kon, zei ze, als we duidelijke grenzen stelden. Niet met al ons spaargeld. Niet zonder een reserve voor onderhoud aan ons huis en zorgkosten. En we moesten rekening houden met de jaren waarin mijn omzet misschien tegenviel.
Koos zat naast me met zijn armen over elkaar. Hij vroeg naar elk risico. Wat als de cursussen niet liepen? Wat als ik ziek werd? Wat als Hannekes klanten niet bij mij bleven? Wat als we na twee jaar terug wilden en geen huis meer konden betalen in de buurt van de kinderen?
Het vervelende is: het waren goede vragen.
Ik had me voorbereid op een man die mijn droom niet begreep. Niet op een man die rustig benoemde waar ik zelf omheen had gedacht. Ik werd kwaad omdat ik me klein voelde. In de auto terug zei ik dat hij altijd al vond dat mijn werk niet serieus was.
Hij remde bij een rotonde harder dan nodig.
‘Dat is niet eerlijk,’ zei hij. ‘Ik vind het juist serieus genoeg om er bang voor te zijn.’
Thuis hebben we twee dagen nauwelijks gepraat. Hij ging boven een kast uitzoeken waar hij al jaren niet in keek. Ik bestelde papier dat ik eigenlijk niet nodig had. Een pak van 250 vel, dik crème papier, omdat ik blijkbaar dacht dat ik daarmee iets besliste.
Hanneke heeft inmiddels gezegd dat ze niet eeuwig kan wachten. Er is nog een geïnteresseerde, een jong stel uit Leeuwarden. Ik gun het haar dat zij duidelijkheid krijgt. Tegelijk krijg ik het benauwd als ik denk dat iemand anders straks aan die pers staat, met de ramen open en die geur van inkt en hout om zich heen.
Vorige zondag waren we bij Marije. Koos vertelde niets. Ik ook niet. Noor wilde dat opa een kartonnen kasteel met haar bouwde en ik zat aan tafel met mijn kleinzoon op schoot, die steeds naar mijn bril greep. Ik keek naar Koos op de grond, zijn knieën duidelijk niet meer zo soepel als vroeger, en ik voelde me ineens schuldig om iets te willen dat hem uit dit leven weg zou trekken.
Maar later, thuis, zag ik hem de map weer naar de rand van de tafel schuiven. Hij deed hem niet weg.
Ik heb Hanneke gisteren gebeld. Ik heb gevraagd of ik niet het hele atelier kan overnemen, maar eerst voor een jaar de cursussen en een deel van haar opdrachten kan draaien. Dat betekent minder zekerheid voor haar en waarschijnlijk moet ik nog onderhandelen over de apparatuur. Misschien zegt ze nee. Misschien vindt Koos zelfs dit al te veel.
Vanavond eten we pasta uit een zak, want ik heb nergens zin in. Daarna wil Koos blijkbaar rekenen. Hij heeft zijn laptop al openstaan. Ik heb mijn schetsboek naast me liggen. We zitten nog geen meter van elkaar af, en toch voelt Friesland soms verder weg dan het is.
Ik weet alleen dat ik nog niet klaar ben om die map dicht te doen.