Mijn vrouw en ik zouden bij onze vriendin gaan wonen, maar haar dochter wil dat we eruit moeten zodra haar moeder naar een verpleeghuis gaat
Ik heb de afgelopen weken vaker naar Funda gekeken dan goed voor me is, terwijl we niet eens iets kunnen kopen. Gewoon uit gewoonte bijna. Een rijtjeshuisje in een dorp waar ik vroeger langsreed met de bus, een benedenwoning met een piepklein plaatsje, soms zelfs een chalet waar je officieel niet permanent mag wonen. Daarna klap ik de laptop dicht en kijk ik naar ons balkon van drie bij anderhalve meter, met twee plastic stoelen waar de regen altijd op blijft liggen.
Anja en ik wonen al twaalf jaar in een driekamerhuurwoning in Almere. Het is geen ellende. We hebben het droog, de lift doet het meestal en de huur is, ondanks alles, nog op te brengen met mijn pensioen en Anja’s parttime werk bij de Hema. Maar we zijn 63 en 61, en ik merk dat ik steeds vaker denk: is dit het dan? Geen schuur, geen aarde onder je nagels, geen plek waar onze kleindochter een zwembadje neer kan zetten zonder dat beneden meteen last heeft van het lekken.
Els is al ruim twintig jaar onze vriendin. Zij is 74, weduwe, en woont in een oud vrijstaand huis aan de rand van Weesp. Zo’n huis met glas-in-lood boven de voordeur, een serre waar het in de winter te koud en in de zomer niet uit te houden is, en een tuin die eigenlijk te groot is voor één mens. Haar man Kees is zeven jaar geleden overleden. Sindsdien deed Els alsof alles gewoon doorging. Ze snoeide zelf de heg, sleepte vuilniszakken naar de straat en zette een trap tegen de gevel om bladeren uit de dakgoot te halen. Daar werden wij soms echt boos om.
In het begin gingen we vooral helpen omdat we toch vrienden zijn. Ik repareerde een los hek, Anja maakte een keer per week een grote pan soep en keek naar de post die Els maar liet liggen. Niet omdat Els dom is of niet meer weet wat ze doet, maar omdat alles haar soms boven het hoofd groeit. Zeker sinds ze last heeft van haar heup en twee keer binnen een jaar is gevallen.
Vorig najaar zei ze, heel terloops, terwijl we aardappels zaten te schillen: „Waarom komen jullie hier niet gewoon wonen?”
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte. Anja lachte ook, maar Els keek ons aan alsof zij allang had nagedacht.
Er is een ruime verdieping boven met twee slaapkamers en een kleine badkamer. De zolder staat vol met spullen van Kees, maar daar zou wel iets mee kunnen. Els wilde beneden blijven wonen. Wij zouden een eigen deel hebben, meehelpen met boodschappen, koken, de tuin en het huis. Geen volledige verzorging, zei ze nadrukkelijk. Daar had ze thuiszorg voor als het nodig werd. Maar wel mensen in huis. Niet elke avond alleen met de televisie aan.
Ze noemde een bedrag van 450 euro per maand inclusief gas, licht en internet. Ik zei meteen dat dat te weinig was. Zij zei dat wij niet moesten doen alsof ze ons een gunst bewees; voor haar was het ook wat waard dat er iemand was als de cv storing gaf of als ze ’s nachts benauwd werd.
Het voelde eerlijk. Misschien wel té mooi, dat weet ik nu ook.
We zijn gaan rekenen. Als we onze huur opzegden, hielden we eindelijk iets over. Niet om rijk van te worden, maar om de auto te laten nakijken zonder eerst drie weken te twijfelen. Om een keer met de kleinkinderen naar de Efteling te kunnen zonder daarna de rekening van Essent met een naar gevoel open te maken. Anja begon al te praten over kruiden in potten bij de achterdeur. Ik zag mezelf in de tuin rommelen.
We hebben niet meteen opgezegd. Zo roekeloos zijn we ook weer niet. Maar we hebben wel spullen uitgezocht en aan mijn zoon gevraagd of hij misschien een aanhanger kon regelen. Els had haar dochter Marieke al verteld dat we zouden komen. Volgens Els vond Marieke het „wel een idee”.
Dat bleek een nogal losse samenvatting.
Marieke woont in Amersfoort, heeft een drukke baan en twee studerende kinderen. Ik ken haar al jaren. Ze is niet onaardig. Ze komt alleen vaak gehaast binnen, kijkt naar wat er allemaal moet gebeuren en vertrekt dan weer met een lijstje in haar hoofd. Ze heeft ook best veel gedaan voor Els, dat wil ik eerlijk zeggen. Toen Els haar heup brak, heeft Marieke wekenlang van alles geregeld.
Twee zaterdagen geleden kwam ze langs om te praten. Ze had een map bij zich. Echt zo’n donkerblauwe map met tabbladen. Daar kreeg ik meteen een naar gevoel van, en dat was misschien niet helemaal redelijk.
Ze zei dat zij niet tegen het plan was, maar dat er duidelijke afspraken moesten komen. Over huur, kosten, privacy, wat wij wel en niet aan zorg zouden doen. Dat snapte ik nog. Anja knikte zelfs en zei dat zij dat ook verstandig vond.
Toen kwam Marieke met het punt waar het misging. Als Els blijvend naar een verpleeghuis zou moeten, of zou overlijden, moesten wij het huis op korte termijn verlaten. Volgens haar maximaal twee maanden na het moment dat Els er niet meer woonde. Het huis moest dan verkocht worden of misschien verhuurd, afhankelijk van wat er financieel nodig was. Wij zouden nergens aanspraak op kunnen maken, ook niet omdat we hadden geholpen met onderhoud of zorg.
Ik weet nog dat Els naar haar handen keek. Anja werd heel stil.
Ik vroeg: „Dus wij moeten onze huurwoning opgeven, hier geld en tijd in steken, en als Els ziek wordt, staan we met twee koffers op straat?”
Marieke zei dat ik het zwart-wit maakte. Misschien had ze daarin gelijk, want er zouden natuurlijk twee maanden zijn en we zouden niet letterlijk op straat staan. Maar met onze leeftijd en inkomen vind je niet zomaar een andere huurwoning. We staan pas acht jaar ingeschreven. In Almere kom je daar niet ver mee. Particuliere huur is voor ons veel te duur.
Anja zei dat het vooral pijn deed dat Marieke blijkbaar dacht dat we op het huis uit waren. Marieke ontkende dat. Ze zei juist dat zij wilde voorkomen dat later iedereen elkaar wantrouwde. „Mam kan niet zomaar mondeling beloven dat jullie hier voor altijd kunnen blijven wonen,” zei ze. „Dat zou ook niet eerlijk zijn tegenover mij en mijn broer.”
Daar had ik eigenlijk geen goed antwoord op. Want nee, Els kan dat niet beloven. Het is haar huis, haar kinderen zijn haar kinderen, en wij zijn vrienden. Hoe hecht ook.
Maar ik voelde me toch klein gemaakt. Alsof alles wat wij de afgelopen jaren voor Els hebben gedaan ineens bewijs was dat we iets terug verwachten. Ik heb haar badkamer niet aangepast omdat ik dacht: mooi, dan hebben we later recht op haar serre. Anja heeft niet elke woensdag haar medicijnen opgehaald om een goedkope woning te regelen.
Els begon te huilen, heel zacht. Niet dramatisch. Ze pakte een tissue en zei alleen dat ze niet wilde dat wij ruzie kregen om haar huis terwijl ze er nog gewoon zat.
Sindsdien is er niets besloten. Marieke heeft voorgesteld om met een notaris of een onafhankelijke adviseur te praten. Zij wil best meedenken over een redelijke opzegtermijn, zegt ze, maar geen afspraak waar wij na Els’ vertrek onbeperkt kunnen blijven. Anja vindt nu dat we daarheen moeten, hoe vervelend ze Marieke ook vindt op dit moment.
Ik ben bozer dan ik zou willen. Misschien omdat ik me schaam dat ik in mijn hoofd al een leven in dat huis had ingericht. Ik had zelfs al bedacht waar de regenton kon staan.
Els belde gisteren. Ze vroeg of we zondag gewoon koffie kwamen drinken, zonder papieren en zonder Marieke. Anja zei ja voordat ik iets kon zeggen.
Dus zondag rijden we erheen. Waarschijnlijk maak ik eerst het tuinhek dat weer klemt. En daarna zitten we aan haar keukentafel alsof er niets veranderd is, terwijl er eigenlijk van alles veranderd is.