Na veertig jaar bouwen dreigen Geert en ik elkaar kwijt te raken om een naam op een bus

De naam stond vroeger op alles. Op de witte bussen, op de steigerdoeken, op onze blauwe vesten en zelfs op de thermoskan die Geert altijd meenam als we buiten werkten: De Wit & Van Dijk Bouw. Eerst met een scheef geschilderd ampersand, later wat strakker toen we een echt reclamebureau konden betalen.

Ik ben Henk van Dijk, 62, en Geert de Wit is 63. We kennen elkaar sinds de LTS. Hij was beter met mensen, ik kon beter rekenen en vooruitdenken. Dat is eigenlijk veertig jaar lang onze verdeling geweest. Als een opdrachtgever kwaad belde omdat iets uitliep, nam Geert op. Als er een tekening niet klopte of er dreigde gedoe met de planning, kwam het meestal bij mij op mijn bureau terecht.

We hebben samen huizen verbouwd, dakkapellen gezet, een paar slechte jaren overleefd en ook goede jaren gehad waarin we bijna te veel werk aannamen. Onze vrouwen zaten vroeger met de kinderen bij elkaar op verjaardagen. Toen mijn vrouw Marja overleed, stond Geert de volgende ochtend om half acht voor de deur met een tas broodjes en koffie. Hij zei bijna niks. Hij schroefde een los keukenkastje vast waar ik me al weken aan ergerde. Zo is hij.

Misschien juist daarom komt dit zo hard aan.

We hebben nu zes man in vaste dienst en twee jongens die vaak voor ons werken. Niet groot, maar wel een gezond bedrijf. We doen renovatie, onderhoud, verduurzaming, dat soort werk. Geen nieuwbouwpaleizen. Geert heeft al jaren last van zijn knieën. Ik heb vorig voorjaar gedoe gehad met mijn hart, niet dramatisch, maar wel genoeg om te begrijpen dat ik niet tot mijn zeventigste op een ladder wil staan of ’s avonds offertes wil zitten maken.

Daarom begon ik anderhalf jaar geleden voorzichtig over opvolging.

Bas, onze uitvoerder, is 34. Hij werkt sinds zijn negentiende bij ons. Geen gladde verkoper, gelukkig niet. Hij kent onze klanten, weet wie er snel zenuwachtig wordt van stof in huis en wie eerst drie keer wil overleggen over een vensterbank. Hij heeft een vrouw, twee jonge kinderen en woont in een rijtjeshuis in Heerhugowaard waar ze nog steeds aan het sparen zijn voor een uitbouw. Hij wil vooruit, maar niet op een manier waarbij hij iedereen omverloopt.

Hij vroeg een keer, nogal ongemakkelijk, of wij al nadachten over later. Ik heb hem toen gezegd dat ik daar zeker over nadacht. Geert zat erbij en zei niks. Ik dacht oprecht dat hij tijd nodig had.

Maar een paar weken later, na de vrijdagmiddagborrel in de loods, zei hij ineens: “Mijn Mark zou het ook kunnen doen.”

Mark is zijn zoon. Een prima jongen, echt waar. Hij werkt bij een leverancier van bedrijfskleding, volgens mij op de verkoop binnendienst. Hij heeft nooit bij ons gewerkt, behalve een paar vakanties toen hij zestien was. Hij kan nauwelijks een waterpas vasthouden, maar dat hoeft ook niet per se als je leidinggeeft. Alleen: hij heeft nooit laten merken dat hij iets met de zaak wil.

Geert zei dat Mark het wel zou leren en dat familie toch anders is. “Dan weet je tenminste waar je het voor doet.”

Ik vroeg of Mark dat zelf ook wilde.

Daar werd Geert meteen kortaf van. Hij zei dat Mark niet zo’n schreeuwer is als Bas en dat je iemand ook een kans moet geven voordat hij ergens enthousiast van wordt. Daar zit misschien iets in. Ik heb ook niet alles meteen geweten toen ik 23 was. Maar een aannemersbedrijf overnemen is geen stageplek.

De maanden daarna werd het stroef. Niet met grote ruzies, eerder van die kleine steken. Geert vergat mij mee te nemen in gesprekken met de accountant. Ik stuurde Bas alvast naar een cursus bouwkosten en zag aan Geerts gezicht dat ik daar beter niks over had kunnen zeggen. Op maandag deden we alsof het normaal was en hadden we het over een lekkende dakgoot in Schagen of over welke bus weer naar de garage moest.

Thuis zei mijn dochter dat ik te voorzichtig was. Zij vindt dat ik Geert al veel te lang ontzie.

“Pap, het is toch ook jouw helft?” zei ze.

Dat is het juridisch wel. Maar zo voelt het niet. Die naam is voor hem De Wit, en voor mij is die naam vooral wij tweeën. Ik kan niet doen alsof ik een aandeelhouder ben die toevallig met hem vergadert.

In november kwam Bas met een voorstel. Hij had met zijn bank en zijn schoonvader gesproken. Hij wilde niet alles in één keer kopen. Geleidelijk instappen, ons nog twee jaar deels laten meedraaien, personeel behouden, de naam houden. Het was geen geweldig bod, maar wel eerlijk. De accountant vond het haalbaar, als Geert en ik niet de hoofdprijs verwachtten.

Geert zei nee voordat Bas zijn tweede kop koffie op had.

Bas bleef rustig. Hij zei dat hij het begreep, maar dat hij dan wel duidelijkheid nodig had. Hij kon niet nog jaren wachten terwijl hij zelf ook keuzes moest maken. Toen hij weg was, zei Geert dat ik hem in zijn rug had gestoken.

Dat kwam hard binnen, juist omdat ik het tegenovergestelde dacht. Ik had geprobeerd ons bedrijf niet als een oud schuurtje te laten eindigen waar uiteindelijk een bordje ‘te koop’ op komt.

Twee weken later belde een grotere regionale aannemer. Zij nemen vaker kleinere bedrijven over. Ze wilden onze klantenportefeuille, het personeel en de werkplaats. Financieel was hun voorstel veel beter dan dat van Bas. Echt een bedrag waarvan ik een tijdje stil werd. Ik zou mijn hypotheek kunnen aflossen, misschien eindelijk die camper kopen waar Marja en ik vroeger over praatten, al voelt dat zonder haar nog steeds wat vreemd.

Maar zij wilden de naam niet houden. Alles zou onder hun eigen naam verdergaan. Onze bussen zouden binnen een jaar worden overgespoten.

Geert werd wit toen hij dat hoorde. Niet boos eerst. Gewoon wit.

Hij zei: “Dus dan is het alsof we nooit bestaan hebben.”

Ik zei dat onze mensen dan wel werk hielden en wij een nette regeling kregen. Dat we niet eeuwig door konden. Dat Mark nog steeds niet één keer zelf had gebeld of gevraagd hoe de cijfers waren.

Dat laatste had ik niet moeten zeggen zoals ik het zei. Geert keek me aan alsof ik zijn zoon had uitgelachen.

Hij zei: “Jij hebt geen zoon, dus jij snapt dat niet.”

Ik heb wel een dochter, maar ik wist meteen dat het niet over haar ging. Het ging over iets wat ik hem blijkbaar niet kon geven: het gevoel dat hij iets aan zijn kind kon doorgeven wat groter was dan geld.

Sindsdien praten we alleen nog over werk als het moet. Vorige week stonden we samen bij een klant in Alkmaar naar een rot kozijn te kijken. Vroeger hadden we daar grappen over gemaakt. Nu zei Geert alleen dat het hout helemaal op was. Ik zei dat ik een offerte zou sturen. Daarna zaten we zwijgend in zijn bus terug.

Mark is afgelopen zondag bij Geert en zijn vrouw gaan eten. Geert vertelde het maandag alsof dat iets veranderde. “Hij wil erover nadenken,” zei hij.

Ik knikte, maar ik voelde vooral moeheid. Nadenken is iets anders dan willen. En willen is nog iets anders dan kunnen.

Bas heeft ons tot eind volgende maand gegeven. De grotere aannemer wil ook niet eindeloos wachten. De accountant dringt aan op een besluit, omdat we anders straks met belasting, waardering en onzekerheid blijven schuiven. Allemaal woorden waar ik vroeger geen moeite mee had.

Gisteren vond ik in de loods een oude foto in een la. Geert en ik, ergens begin jaren negentig, veel te jong, voor onze eerste bus. De lak was toen al niet mooi. Geert had zijn arm om mijn schouder en we keken allebei alsof we een heel imperium bezaten.

Ik heb de foto weer teruggelegd. Niet expres netjes. Gewoon in die la tussen oude facturen en een rol ducttape.

Vanmiddag hebben Geert en ik een afspraak met de accountant. Ik weet nog niet of we daarna iets besluiten. Ik weet alleen dat ik er tegenop zie om naast hem aan die vergadertafel te zitten, terwijl er buiten een bus staat met twee namen erop die misschien binnenkort nergens meer op staan.