Na veertig jaar vriendschap dreigt één betaalde vakantie onze hele groep uit elkaar te trekken
Ik had nooit gedacht dat een vakantie onze vriendengroep zo ongemakkelijk kon maken.
We kennen elkaar sinds eind jaren zeventig. Theo en ik, Bert en Els, Henk en Marjan, en Kees en Ria. Eerst zaten we met kinderwagens in het park, later stonden we op voetbalvelden in de regen en nu hebben we het vooral over onze knieën, de energierekening en welke kleinkinderen alweer naar de middelbare gaan.
Elke eerste zaterdag van de maand komen we bij elkaar. Om de beurt koken. Niet ingewikkeld: soep, een ovenschotel, koffie met appeltaart van de supermarkt of, als Els zin heeft gehad, zelfgebakken cake. Er wordt altijd een beetje geklaagd, veel gelachen en we weten precies wie hoe laat naar huis wil omdat die de hond nog uit moet laten.
Het bijzondere was altijd dat niemand zich groter voordeed dan hij was. Bert werkte bij de gemeente, Henk was monteur, Theo heeft tot zijn pensioen in een drukkerij gewerkt. Ik deed administratie bij een zorginstelling. Kees had vroeger een klein aannemersbedrijf. Hij was degene die het minst over geld praatte, gek genoeg.
Tot een paar jaar geleden.
Kees had pandjes gekocht in een wijk in Utrecht die volgens hem ‘toch nog niks voorstelde’. Dat zei hij toen altijd, met een bijna verontschuldigende lach. Hij knapte ze op, verhuurde ze, verkocht er later een paar. Ik begreep er nooit veel van. Nu woont hij met Ria in hetzelfde huis als altijd, een vrijstaande woning net buiten Woerden, maar hij rijdt wel in een elektrische Mercedes en hij zegt dingen als: ‘Ach, die rendementen vallen dit kwartaal tegen.’
Dat mag van mij. Echt. Ik gun hem zijn geld. Kees heeft hard gewerkt en ook risico genomen, neem ik aan. Alleen merken we de verschillen steeds vaker. Als we ergens gaan eten, zegt hij makkelijk: ‘Neem gewoon een dessert, ik trakteer wel.’ Theo bestelt dan juist geen dessert, ook al had hij er best zin in. Hij wil niet het gevoel hebben dat hij bij Kees aan tafel moet komen bedelen.
In november zouden we veertig jaar als groep vieren. Iemand stelde voor om een weekend weg te gaan. Eerst ging het over een huisje op de Veluwe, misschien drie nachten. Daar waren we eigenlijk allemaal wel enthousiast over. Fietsen als het weer meezat, een borrelplank, waarschijnlijk te veel wijn en dan de volgende ochtend met z’n allen chagrijnig doen omdat niemand goed geslapen had.
Een week later stuurde Kees in onze WhatsApp-groep een link naar een hotel in de Provence. Niet zo’n eenvoudig Frans hotelletje, maar een soort landgoed met zwembad, terrassen en kamers waar je blijkbaar een kussenmenu kunt kiezen. Hij schreef: ‘Ik zat te denken: laten we het nou eens goed doen. Ik betaal vlucht, hotel en diners. Jullie hoeven alleen je koffertje te pakken.’
Er kwamen meteen hartjes van Marjan en Els. Henk stuurde een duimpje en schreef dat hij zijn zwembroek alvast ging zoeken. Ria stuurde niets. Dat vond ik toen al opvallend.
Theo en ik zaten aan de keukentafel. Hij had zijn leesbril op en las het bericht drie keer.
‘Dat is zeker lief bedoeld,’ zei hij.
Ik zei: ‘Ja, maar het is ook belachelijk veel geld.’
Theo knikte. ‘Voor ons allemaal.’
Wij kunnen best een paar dagen weg, maar niet een luxe reis met vluchten en alles erop en eraan. Ons pensioen is niet dramatisch laag, we redden het. Alleen: de boodschappen zijn duurder geworden, de auto moest laatst door de apk met nieuwe banden, en ik zet nog steeds elke maand iets opzij voor als er gedoe met het dak komt. Je leert op onze leeftijd dat er altijd wel iets komt.
Maar daar ging het niet alleen om. Ik zag ons al aan dat zwembad zitten, zes mensen die op kosten van Kees wijn drinken en bij ieder leuk idee denken: kunnen we dit wel vragen? Wat doe je als je een dagje naar een markt wilt en Kees liever ergens anders heen wil? Of als hij bij het afrekenen zegt dat wij nergens naar hoeven te kijken, maar vervolgens wel verwacht dat iedereen meedoet met zijn planning?
Misschien maak ik het groter dan het is. Dat heb ik mezelf ook wel verweten.
Ik heb in de groep geschreven dat ik het een ongelooflijk royaal aanbod vond, maar dat Theo en ik ons er niet prettig bij zouden voelen. Ik stelde voor om gewoon naar de Veluwe te gaan, of desnoods een paar dagen Limburg. Iedereen betaalt zijn eigen deel, klaar.
Kees belde me diezelfde avond. Niet boos in het begin. Eerder gekwetst.
‘Dus mijn geld is vies, of zo?’ vroeg hij.
‘Nee Kees, dat zeg ik helemaal niet.’
‘Zo voelt het wel. Veertig jaar zijn we vrienden. Ik kan iets moois doen en jullie maken er meteen een principe van.’
Ik zei dat het niet om vies geld ging. Dat we juist graag met elkaar weg wilden zonder dat één stel gastheer werd van de rest. Hij bleef een tijdje stil. Daarna zei hij: ‘Je weet toch dat ik niks terug verwacht?’
Dat geloof ik ook. Tenminste, bewust niet. Kees is geen nare man. Hij brengt nog steeds een zak drop mee voor Theo omdat hij weet dat hij die zwarte muntdrop lekker vindt. Hij stond ook als eerste bij ons op de stoep toen Theo een hartonderzoek moest ondergaan.
Maar geld verandert toch iets, ook als iemand daar niet om vraagt.
De weken daarna werd het stroef. In de appgroep ging het ineens over praktische dingen: paspoorten, handbagage, wie er bang was om te vliegen. Alsof de reis al besloten was. Els belde me apart. Zij zei dat ze dit waarschijnlijk nooit zelf zouden kunnen betalen en dat ze zich een beetje schaamde dat ze zo blij was.
Daar kreeg ik een brok van in mijn keel van, want ik snap haar. Els en Bert hebben het krapper dan wij. Bert heeft een klein pensioen en hun huur is vorig jaar weer omhooggegaan. Waarom zou zij nee moeten zeggen tegen iets waar ze van droomt, alleen omdat ik het ingewikkeld vind?
Tegelijk zei ze: ‘Ik hoop niet dat jullie afhaken. Het zou zonder jullie raar zijn.’
Op onze vaste zaterdag was de sfeer zo beleefd dat het bijna pijnlijk werd. Kees had wildstoof gemaakt. Heel lekker, dat moet ik hem nageven. Niemand begon over Frankrijk totdat Henk, na zijn tweede glas wijn, zei: ‘We moeten wel een beetje opschieten met boeken, anders wordt het duur.’
Theo legde zijn vork neer en zei rustig dat wij niet meegingen als Kees alles betaalde.
Marjan rolde met haar ogen. ‘Theo, je kunt ook gewoon eens iets aannemen.’
Dat kwam harder aan dan ik verwachtte. Theo wordt meestal gezien als de makkelijkste van ons allemaal. Hij zei niets terug, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij dichtklapte.
Kees zei toen: ‘Ik wilde jullie een mooie herinnering geven. Blijkbaar is dat arrogant.’
Ik antwoordde te scherp dat hij er zelf nu ook een heel toneel van maakte. Daar heb ik later spijt van gehad. Ria stond bij het aanrecht borden af te spoelen terwijl iedereen nog aan tafel zat. Ze keek geen moment om.
We zijn die avond vroeg weggegaan. Thuis zei Theo dat we misschien gewoon mee moesten gaan, voor de vrede. Maar hij zei het op zo’n vermoeide manier dat ik wist dat hij het zelf ook niet wilde.
Vorige week stuurde Kees dat hij en Ria de reis in juni gaan boeken. Henk en Marjan gaan mee. Bert en Els waarschijnlijk ook, al weet Els nog niet hoe ze het aan haar dochter moet uitleggen, die zelf al jaren spaart voor één weekje Frankrijk met de kinderen.
Theo en ik hebben een huisje gereserveerd bij Dwingeloo, drie nachten in september. Niet als vervanging, denk ik. Eerder omdat we toch even weg wilden. Ik heb nog getwijfeld of ik het in de groepsapp zou zetten, maar dat voelde kleinzielig.
De eerste zaterdag van volgende maand is bij ons. Ik weet niet of iedereen komt. Ik heb al koffie gehaald en Theo heeft gezegd dat hij gehaktballen maakt. Gewoon zoals altijd. Alleen weet ik niet meer of ‘zoals altijd’ nog bestaat.