Mijn man ging met pensioen, maar ik raakte hem alsnog kwijt aan zijn werk

De caravanplek in Friesland stond al maanden in mijn mapje ‘ideeën pensioen’. Niet geboekt, want Jaap wilde eerst “even landen” na zijn afscheid bij de gemeente. Maar ik had het voor me gezien: in april een paar weken weg, niet spectaculair, gewoon met de fietsen achterop en te veel boodschappen in de koelkast van zo’n huurcaravan. Daarna misschien met de trein naar onze dochter in Zwolle, zodat we niet steeds op één middag met een tas vol cadeautjes bij de kleinkinderen naar binnen en weer naar buiten zouden hollen.

Jaap is nu ruim anderhalf jaar met pensioen en ik ben nog niet één nacht met hem weggeweest.

We wonen in een ruime hoekwoning in een Vinex-wijk bij Amersfoort. Toen we hier kwamen wonen, vonden we de brede stoepen en de rijtjes jonge boompjes een beetje kaal. Nu zijn die bomen hoog genoeg om de zon uit de achterkamer te houden als ik ’s middags op de bank zit. De kinderen zijn al jaren de deur uit. Boven hebben we drie slaapkamers die vooral bestaan uit logeerbedden, oude boekenkasten en spullen waarvan ik steeds zeg dat we er eens doorheen moeten.

Jaap werkte vroeger bij vastgoedbeheer van de gemeente. Hij was goed in zijn werk, echt. Niet het soort man dat op verjaardagen hard over zichzelf praat, maar als ergens een lekkage was in een schoolgebouw of een aannemer zijn afspraken niet nakwam, kreeg hij iedereen aan het bellen tot het geregeld was. Thuis was hij ook vaak met zijn hoofd nog bij een project. Dan zat hij aan tafel, at hij zijn prak op en keek hij tussendoor op zijn telefoon.

Ik heb daar vroeger veel over geslikt. Niet omdat ik het allemaal prima vond, maar omdat er altijd een reden was. De hypotheek. Studerende kinderen. Zijn afdeling die weer kleiner werd. “Nog even doorbijten.”

Toen hij afscheid nam, met een schaal bitterballen in de kantine en een speech van zijn leidinggevende, dacht ik oprecht: nu begint het andere deel.

De eerste weken was hij onrustig. Hij ruimde de schuur op, maakte de voegen op het terras schoon met zo’n apparaat waar ik gek van werd en ging drie keer naar de milieustraat omdat hij ineens overal afval zag. Daarna zag hij een oproepje van BuurtKracht Leusden, een lokale stichting die mensen helpt met formulieren, kleine klusjes en contact met instanties. Ze zochten vrijwilligers die konden meedenken over huisvesting en praktische zaken.

“Eén ochtend in de week,” zei hij.

Ik zei nog: “Dat lijkt me juist leuk voor je.” En dat meende ik ook. Jaap heeft mensen nodig om zich heen. Hij kan slecht stilzitten en hij is niet iemand die gezellig gaat golfen omdat andere gepensioneerde mannen dat doen.

Maar één ochtend werd al snel maandag en donderdag. Toen kwam er een overleg op woensdagavond, omdat er een subsidieaanvraag de deur uit moest. Daarna bleek de coördinator langdurig ziek en nam Jaap “tijdelijk wat dingen over”. Hij kreeg een laptop van de stichting en een telefoon waarop hij ook ’s avonds appjes beantwoordde.

Als ik om half zes vroeg of hij thuis at, zei hij soms: “Ik denk het wel, maar pin me er niet op vast.”

Ik haatte die zin meteen. Niet omdat hij iets verschrikkelijks deed. Hij hielp mensen. Hij regelde dat een alleenstaande moeder eindelijk een afspraak bij schuldhulpverlening kreeg, hij belde woningcorporaties na, hij wist welke formulieren waar bleven hangen. Mensen waren dankbaar. Ik hoorde hem soms in de gang bellen en dan klonk hij lichter dan ik hem in jaren had gehoord.

Dat maakte het ook zo lastig om er iets van te zeggen.

Onze dochter Marije vroeg op een zondag of we in de meivakantie een paar dagen op de kinderen wilden passen. Thomas is zeven en Noor net vier. Ze wonen in Zwolle, allebei druk met hun werk. Ik zei meteen ja. Jaap keek in zijn agenda op zijn telefoon en zei dat hij die week een bijeenkomst had met de gemeente over een nieuw inlooppunt.

“Maar dat is toch één avond?” vroeg ik.

“En voorbereiding. En waarschijnlijk nog een overleg vooraf.”

Marije zei snel dat ze ook wel iemand anders kon vragen. Op dat moment schaamde ik me, terwijl ik niet eens wist waarvoor. Dat ik mijn man niet gewoon mee kon krijgen? Dat ik blijkbaar de enige was die die kinderen wilde zien?

Later in de auto zei ik: “Je kunt toch een keer zeggen dat je niet kan?”

Hij keek recht vooruit. “Die mensen rekenen op mij, Els.”

“Wij ook.”

Dat kwam er harder uit dan ik wilde. Hij werd stil. Thuis zette hij de auto op de oprit en zei: “Jij doet alsof ik elke dag in de kroeg zit.”

Ik zei dat niet. Ik zei juist dat hij opnieuw aan het werk was, alleen nu zonder salaris en zonder dat iemand hem daartoe verplichtte.

Hij werd daar boos om. Niet schreeuwen, dat doen we allebei nauwelijks, maar hij trok zijn jas weer aan terwijl hij hem net had uitgedaan. Hij zei dat hij veertig jaar had gedaan wat moest. Voor ons, voor het gezin. Dat hij nu eindelijk iets deed waar hij energie van kreeg, en dat ik daar blijkbaar ook nog een probleem van wilde maken.

Misschien had hij op dat moment ergens gelijk. Ik ben zelf ook niet altijd makkelijk geweest. Ik vul mijn dagen met zwemmen, oppassen als het uitkomt, koffie met mijn zus, de tuin. Maar ik wacht ook op hem. Daar zit het misschien. Ik plan dingen half, omdat ik denk dat we het samen zouden kunnen doen. En als hij dan weer weg moet, doe ik alsof het me niet raakt en eet ik een boterham met kaas boven een pannetje soep dat ik voor twee had gemaakt.

Vorige maand werd hij gevraagd als voorzitter van het bestuur. De vorige voorzitter stopte onverwacht vanwege mantelzorg voor zijn vrouw. Jaap kwam die avond thuis met rode wangen. Hij stond in de keuken terwijl ik de vaatwasser uitruimde en vertelde dat ze hem echt nodig hadden. Dat hij eerst nee had gezegd, maar dat iedereen bleef aandringen.

Ik vroeg: “En wat heb jij toen gezegd?”

Hij keek naar de grond. “Dat ik erover na zou denken.”

Hij had het al gedaan. Dat wist ik meteen. Niet eens omdat hij loog, maar omdat hij die blik had die hij vroeger ook had als hij een ingewikkeld project binnenhaalde: opgelucht dat het eindelijk zijn kant op viel.

Twee dagen later stond zijn naam op de nieuwsbrief als nieuwe voorzitter.

Toen heb ik iets gezegd waar ik nog steeds niet helemaal trots op ben. Ik zei dat hij moest kiezen. Niet letterlijk die stichting of ik, want zo kinderachtig wilde ik niet klinken, maar wel dat ik niet nog tien jaar naast iemand wilde wonen die steeds ergens anders nodig was. Dat ik geen pensioen had gewild waarin we alleen samen op de bank zitten als er toevallig geen vergadering is.

Jaap werd wit om zijn neus. Hij zei dat ik hem voor een onmogelijk blok zette. Alsof hij moest bewijzen dat het hem iets kon schelen dat anderen hulp nodig hadden.

“Het gaat me niet om die mensen,” zei ik. “Het gaat me erom dat jij altijd buiten dit huis nodig moet zijn.”

Hij antwoordde: “Misschien omdat ik hier niet meer weet wat mijn rol is.”

Dat deed pijn, juist omdat ik begreep wat hij bedoelde. De kinderen zijn weg. Zijn vader is overleden, mijn moeder woont in een verzorgingshuis en herkent me sommige dagen niet. Ons huis draait zonder veel moeite door. Misschien ben ik ook degene geweest die hem jarenlang buiten alles hield omdat het sneller ging als ik het zelf deed.

We hebben daarna twee dagen bijna niet gesproken. Niet dramatisch. Hij haalde brood, ik deed de was. Hij vroeg of er nog koffie was. Ik zei ja. Dat soort stilte is erger dan ruzie, vind ik.

Afgelopen vrijdag heeft hij tegen BuurtKracht gezegd dat hij het voorzitterschap wel aanneemt, maar niet voor vijf avonden per week beschikbaar is. Hij wil één avond thuis vrijhouden en in het weekend geen overleggen meer doen, behalve als er echt iets aan de hand is. Ik weet niet precies wat “echt” dan betekent. Hij ook niet, denk ik.

Ik heb die caravanplek uiteindelijk niet geboekt. Niet uit protest, maar omdat ik ineens dacht: ik wil niet weer ergens alleen op wachten tot hij klaar is met bellen.

Vanmorgen lag er wel een folder van een klein hotelletje op Terschelling op tafel. Jaap had er met pen een weekend in september omcirkeld. Geen briefje erbij, geen uitleg. Hij was al weg voor een afspraak toen ik beneden kwam.

Ik heb de folder in de keukenla gelegd, onder de opladers en de oude garantiebewijzen. Niet weggegooid. Ook niet opgehangen.