Ik wilde mijn pensioen niet doorbrengen als vaste mantelzorger van mijn beste vrienden

Vorige week stond ik om kwart voor acht in de rij bij de apotheek in ons dorp, met een herhaalrecept op naam van iemand anders in mijn jaszak. Het regende van dat fijne, aanhoudende spul waar je broekspijpen nat van worden zonder dat je het merkt. Ik keek naar mijn telefoon. Geen bericht van Anja, mijn vrouw. Wel drie gemiste oproepen van Henk.

Toen dacht ik ineens: dit is niet meer gewoon even helpen.

Henk en Marijke zijn al ruim dertig jaar onze beste vrienden. We kennen elkaar nog van de camping in Frankrijk, toen onze kinderen klein waren en we allebei deden alsof we het leuk vonden om met een plastic wijnglas naast een veel te kleine tent te zitten. Later hebben we samen verjaardagen gevierd, ouders begraven, verbouwingen overleefd. Henk was degene die op een zaterdagmorgen zonder vragen bij mij voor de deur stond toen mijn vader net was overleden. Hij nam een boormachine mee, omdat de plank in de gang nog opgehangen moest worden. Dat soort man is hij.

Dus toen Marijke twee jaar geleden slecht ter been werd na haar heupoperatie, vonden wij het vanzelfsprekend om te helpen. Eerst reed Anja haar een paar keer naar de fysio. Ik maaide het gras toen Henk last van zijn rug had. Geen punt. Je doet dat voor elkaar.

Alleen herstelde Marijke minder goed dan iedereen had gehoopt. Daarna kreeg Henk gedoe met zijn hart. Niet acuut levensbedreigend, gelukkig, maar hij raakte sneller moe en mocht een tijd niet autorijden. Hun dochter woont in Groningen en heeft zelf twee kinderen. Hun zoon werkt op zee en is er soms weken niet. In de straat kennen ze mensen wel, maar niet op een manier dat je vraagt of iemand je naar het ziekenhuis brengt.

Langzaam werden wij hun vaste oplossing.

Op maandag de boodschappen. Dinsdag iemand meenemen naar de huisarts of het ziekenhuis in Alkmaar. Woensdag de container buiten zetten, want Henk vergat het soms en Marijke kon hem niet over de drempel krijgen. Dan belde Marijke ook weleens of Anja misschien even naar de Action kon, omdat de batterijen van hun bloeddrukmeter op waren. Of ik kwam langs omdat de wifi het niet deed, terwijl meestal de stekker van de modem loszat.

Het lullige is: geen van die dingen kost op zichzelf zo veel tijd. Maar samen maakten ze dat wij nergens meer zomaar heen gingen.

Anja en ik zijn allebei 68. We hadden plannen die niet eens heel spectaculair waren. Met de trein een paar dagen naar Maastricht. In september met de caravan naar Zeeland, buiten de schoolvakantie. Een middag wandelen zonder dat je halverwege omkeert omdat er misschien gebeld wordt. We hebben jarenlang gewerkt en voor anderen gezorgd: voor onze kinderen, voor mijn moeder toen zij dement werd. Ik wilde niet weer een agenda waarin alles om zorg draaide.

Maar telkens als ik dat dacht, voelde het alsof ik ondankbaar was.

Anja zei het eerder dan ik. Zij is directer, al kan ze er vervolgens nachten van wakker liggen.

“Jan, we zijn hun hele netwerk geworden,” zei ze op een avond terwijl ze de vaatwasser inruimde. “En ze doen alsof dat normaal is.”

Ik zei dat Henk en Marijke er ook niet om gevraagd hadden om oud te worden met gebreken.

“Nee,” zei Anja. “Maar wij hebben ook niet gevraagd om iedere dag stand-by te staan.”

De echte irritatie begon misschien met onze geplande week in Zeeland. We hadden die caravanplaats al in januari geboekt. Voor het eerst sinds lang echt een week weg, zonder kinderen, zonder kleinkinderen, zonder verplichtingen. Drie dagen voor vertrek belde Henk. Marijke moest op dinsdag naar het ziekenhuis voor een controle en de regiotaxi vond ze vreselijk. Of ik haar kon brengen en ophalen.

Ik zei meteen ja. Natuurlijk zei ik ja.

Anja keek me aan toen ik ophing. Ze zei niets. Dat was erger dan wanneer ze boos was geworden.

Uiteindelijk heeft de buurvrouw van Henk en Marijke gereden. Een aardige vrouw, Els, die ik alleen kende van zwaaien. Het kon dus blijkbaar wel. Maar Henk zei achteraf dat Marijke de hele rit gespannen was geweest, omdat Els niet wist waar ze moest parkeren bij het ziekenhuis.

Ik snapte dat. Tegelijk voelde ik iets in mij dichtklappen. Alsof onze vakantie eigenlijk een hinderlijk detail was in een planning die om hen heen hoorde te draaien.

Vorige maand zijn we bij hen gaan zitten. Gewoon aan de eettafel, met een schaal blokjes kaas die Marijke speciaal had gehaald. Ik had van tevoren bijna een briefje gemaakt, zo nerveus was ik.

Anja zei dat we graag wilden blijven helpen, maar dat we één vaste dag in de week wilden afspreken. De donderdag. Dan konden we boodschappen doen, dingen in huis bekijken en afspraken die op tijd bekend waren proberen te regelen. Voor noodgevallen natuurlijk altijd bellen, zei ik er meteen bij. Ik hoorde mezelf haastig praten.

Marijke werd heel stil. Henk keek naar zijn handen.

“Dus als ik maandag niet uit de voeten kan, moet ik tot donderdag wachten?” vroeg hij.

“Niet per se,” zei Anja. “Maar dan kijken we eerst of de thuiszorg iets kan doen, of de supermarkt kan bezorgen, of iemand anders…”

“Wij zijn dus iemand anders geworden,” zei Marijke.

Dat kwam hard aan. En eerlijk gezegd werd ik daar ook kwaad van, omdat het klonk alsof alle jaren daarvoor ineens niets meer telden.

Ik zei iets doms. Ik zei: “Vriendschap is toch niet dat wij jullie zorgregeling zijn?”

Henk knikte alleen maar, maar op zo’n manier dat ik wist dat hij het niet ging vergeten.

Sindsdien is het stroever. Niet openlijk. We doen nog steeds de donderdag. Ik heb vorige week hun tuinpad geveegd en Henk vroeg gewoon hoe het met mijn kleinzoon ging. Marijke stuurde Anja een foto van haar eerste narcissen. Maar de spontane belletjes zijn minder geworden.

Bij de apotheek belde ik Henk terug. Hij had uiteindelijk zelf een bezorgservice geregeld voor zijn medicijnen; hij wilde alleen weten of ik donderdag nog kon helpen met een kapotte lamp in de keuken. Ik zei ja.

Daarna ben ik naar huis gereden. Anja had koffie gezet en zat met de reisgids van Limburg aan tafel. Ze keek op en vroeg of het gelukt was.

Ik zei dat Henk de medicijnen al geregeld had.

“Zie je wel,” zei ze, niet triomfantelijk maar zacht.

Ik knikte. Toch voelde ik geen opluchting. Eerder het besef dat ze ons misschien minder nodig hebben dan ze dachten, en dat ik er zelf ook aan gewend was geraakt om nodig te zijn.