Mijn zoon vroeg ons om €85.000 voor zijn bedrijf, en ik merkte dat ik tussen hem en mijn vrouw in kwam te staan
Ik heb de laatste tijd een map op mijn laptop die ik steeds open en weer dichtklik. Hij heet gewoon ‘rekening Marijn’. Alsof het om een energierekening gaat. Er staan drie pdf’s in: zijn liquiditeitsprognose, een overzicht van openstaande facturen en een mail van hem waarin hij schrijft dat hij zich kapot schaamt.
Ik ben 68, mijn vrouw Els is 66. We wonen in een vrijstaand huisje aan de rand van Apeldoorn, niet groot of chic, maar wel afbetaald. Ik heb bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, eerst in de buitendienst, later als planner. Els werkte drie dagen per week in de thuiszorg en heeft daarnaast jarenlang voor haar moeder gezorgd. We waren nooit mensen die makkelijk geld uitgaven. Vakantie was meestal een stacaravan in Zeeland, en als de wasmachine het nog deed, dan deed hij het nog. Zo zijn we opgevoed.
We hebben het goed nu. Niet rijk-rijk, maar we hebben AOW, pensioen en spaargeld. Dat spaargeld is deels gekomen doordat mijn vader een paar jaar geleden overleed en ik een bescheiden erfenis kreeg. Els zegt altijd: ‘Dat is geen potje voor leuke dingen. Dat is voor als er iets met ons gebeurt.’
En eerlijk gezegd heeft ze daar gelijk in.
Mijn knieën zijn slecht. Ik red me prima, maar na een dag tuinieren of een lange wandeling ben ik twee dagen stijf. Els heeft sinds vorig jaar last van haar heup. De huisarts zegt steeds dat bewegen goed is, wat vast zo is, maar zij slaapt er soms slecht van. We willen nog lang thuis blijven wonen. Daar hebben we ook geld voor nodig, als er ooit hulp of aanpassingen moeten komen. Een traplift, een aangepaste badkamer, misschien particuliere hulp als het nodig wordt. Je hoopt dat het niet hoeft, maar je kunt niet doen alsof je voor altijd 45 blijft.
Onze zoon Marijn is 43. Hij heeft een bureau voor animatie en online campagnes in Utrecht. Hij kan prachtig tekenen, dat kon hij als kind al. Terwijl andere jongens voetbalplaatjes spaarden, maakte hij hele stripboeken met ruimteschepen en rare wezens met zes ogen. Hij heeft na de kunstacademie jaren gefreelancet en later twee mensen aangenomen. Inmiddels werken er vier mensen bij hem, inclusief hijzelf.
Ik ben trots op hem. Dat zeg ik misschien te weinig, maar ik ben het wel.
Tegelijkertijd is Marijn altijd iemand geweest bij wie de grond een beetje bewoog. Niet omdat hij lui is, helemaal niet. Hij werkt zich soms over de kop. Maar er was altijd wel iets: een opdrachtgever die laat betaalde, een project dat uitliep, een subsidie die toch niet doorging, een laptop die vervangen moest worden terwijl er net weinig binnenkwam. Toen hij jonger was, leenden we hem soms een paar honderd euro. Voor huur, voor een kapotte auto, ooit voor de tandarts. Dat kwam meestal terug, soms later dan afgesproken.
Drie weken geleden kwam hij op zondag eten. Hij was alleen; zijn vriendin Noor moest werken. Hij at nauwelijks van de lasagne die Els had gemaakt. Dat is bij Marijn meestal al een teken.
Na de koffie zei hij dat hij ons iets moest vragen. Hij had zijn laptop meegenomen en zette die op tafel, tussen de glazen en het schaaltje met paaseitjes dat er nog stond.
Hij vertelde dat een grote klant was afgehaakt. Niet omdat zijn werk niet goed was, zei hij meteen, maar omdat die klant was overgenomen en alles naar een groot bureau in Amsterdam trok. Daardoor miste hij een bedrag waarop hij had gerekend. Tegelijk had hij een kans om met een ontwikkelaar een eigen educatieve app te maken. Hij had al interesse van scholen, zei hij. Als dat aansloeg, zou zijn bedrijf veel minder afhankelijk worden van losse opdrachten.
Hij vroeg om 85.000 euro.
Ik weet nog dat ik eerst dacht dat ik het verkeerd verstaan had. Vijfentachtigduizend. Niet vijfduizend. Niet een voorschot voor drie maanden. Hij vroeg het rustig, bijna zakelijk, maar zijn handen trilden toen hij door de cijfers scrolde.
‘Daarmee kan ik de achterstand wegwerken, de salarissen betalen en die app afmaken,’ zei hij. ‘Ik vraag niet om een gift. Ik wil er een lening van maken, met rente als jullie dat willen.’
Els zei een tijdje niets. Ze keek niet naar hem, maar naar zijn scherm. Toen vroeg ze: ‘En als die app niet loopt?’
Marijn haalde zijn schouders op, maar niet op een onverschillige manier. Meer alsof hij dat antwoord al honderd keer aan zichzelf had gegeven.
‘Dan moet ik waarschijnlijk stoppen. En dan moet ik Sanne en Bilal ontslaan. Misschien ook Jeroen. Ik kan ze niet nog maanden aan het lijntje houden.’
Ik voelde direct die oude reflex. Je kind zit in de problemen, dus je doet iets. Je laat hem niet verdrinken terwijl jij aan de kant staat met droge schoenen. Ik zag hem ineens weer als die jongen van negen die op kamp heimwee had en me belde vanaf een telefoonhokje. Ik was toen na mijn werk nog naar dat kampeerterrein gereden, drie kwartier heen en drie kwartier terug, alleen om hem even te laten zien dat ik kwam als hij riep.
Els stond op en begon de borden af te ruimen. Dat doet ze als ze boos is en nog niet weet hoe ze het moet zeggen.
Later, toen Marijn weg was, zei ze: ‘Jij zat al ja te knikken voordat we überhaupt hebben gepraat.’
Dat was niet helemaal waar, maar ook niet helemaal onwaar.
Ik zei dat we genoeg hadden. Dat we niet alles hoefden te geven. Misschien een deel. Misschien met afspraken. Els keek me aan alsof ik iets heel vreemds zei.
‘Genoeg waarvoor, Henk? Voor zolang alles goed gaat? We weten niet eens hoe lang we gezond blijven. Jij doet alsof die rekening een bodemloze put heeft omdat je zoon ernaar kijkt.’
Ik werd daar kwaad van. Niet eens om de woorden, denk ik, maar omdat ik me schuldig voelde. Ik zei dat ze Marijn behandelde alsof hij onverantwoordelijk was. Zij zei dat hij misschien niet onverantwoordelijk was, maar wel volwassen. ‘Dat is iets anders.’
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks normaal gepraat. We hadden het over de boodschappen, de vuilnisbak, of de kat van de buren weer in onze schuur had gezeten. Maar niet hierover.
Afgelopen zaterdag kwamen Marijn en Noor opnieuw. Noor wist er inmiddels van. Ze is normaal vrij direct, maar nu zat ze met haar jas nog half aan op de bank. Ze zei dat ze zelf ook geld in het bedrijf had gestoken en dat ze hun huur nauwelijks meer konden opbrengen. Niet als verwijt. Eerder alsof ze bang was dat wij dachten dat ze makkelijk leefden.
Els vroeg hoeveel Marijn zelf nog had. Hij zei dat hij zijn privéspaarrekening al had leeggehaald. Toen zei Els, harder dan nodig was: ‘Dus nu zijn wij aan de beurt.’
Marijn werd rood. Hij zei: ‘Mam, zo bedoel ik het niet.’
‘Maar zo voelt het wel.’
Ik had iets moeten zeggen voordat het zo ver kwam. In plaats daarvan begon ik over een leningsovereenkomst en een maximumbedrag, alsof ik de bank was. Marijn klapte zijn laptop dicht. Noor keek naar de vloer.
Hij zei dat hij niet wilde bedelen bij zijn ouders. Dat woord gebruikte hij echt. Bedelen. Vervolgens zei hij dat hij alleen had gehoopt dat wij vertrouwen in hem zouden hebben.
Els antwoordde dat vertrouwen niet hetzelfde is als je oude dag op het spel zetten.
Toen vertrokken ze eerder dan gepland. De lasagne van Els stond nog in een schaal op het aanrecht. Ik heb die later in bakjes gedaan voor de vriezer, en ik was daar veel te lang mee bezig. Alsof ik door gehakt en saus netjes te verdelen iets recht kon zetten.
Sindsdien heb ik Marijn één keer gesproken. Hij zei dat hij met de boekhouder praat en misschien een deel van het bedrijf moet afbouwen. Hij klonk heel kalm, wat ik erger vond dan wanneer hij had geschreeuwd.
Els en ik hebben nu een afspraak gemaakt bij een onafhankelijk financieel adviseur. Niet omdat een adviseur kan vertellen hoeveel liefde 85.000 euro waard is, maar omdat wij blijkbaar niet eens meer naar hetzelfde bedrag kijken. Zij ziet onze mogelijke zorg. Ik zie mijn zoon die met zijn rug tegen de muur staat.
Misschien hebben we hem te vaak opgevangen. Misschien is dit precies het moment waarop we dat niet meer moeten doen. Maar als ik zijn mail open, zie ik onderaan één zin die hij er blijkbaar pas later bij heeft gezet: ‘Ik snap het als jullie nee zeggen, maar ik weet even niet hoe ik dit zonder jullie moet dragen.’
Ik heb nog niet teruggeschreven.