Ik zei nee tegen een maand zorgen voor onze beste vrienden, en mijn man kijkt nu anders naar mij
Ik heb vorige week de sleutel van Marjan en Kees terug in een envelop gedaan, hoewel we hem nog niet eens officieel hadden aangenomen. Hij lag drie dagen op het kastje in de hal. Elke keer als ik mijn jas pakte, zag ik die sleutel liggen en werd ik er onrustig van.
We kennen Marjan en Kees al sinds de kinderen klein waren. Nu zijn wij 67 en 65, zij iets jonger. Vroeger kampeerden we samen in Frankrijk, met van die veel te grote koelboxen en vier kinderen die tot laat in de avond nog over het terrein zwierven. We aten iedere nieuwjaarsdag erwtensoep bij elkaar. Toen mijn moeder overleed, stond Marjan als eerste bij mij op de stoep met een pan nasi die veel te groot was voor twee mensen. Ik zeg dit erbij omdat ik niet wil doen alsof het zomaar kennissen zijn. Het zijn onze mensen, of dat waren ze in elk geval altijd.
Kees kreeg afgelopen winter problemen met zijn heup. Eerst dachten ze aan slijtage en fysiotherapie, maar het ging sneller achteruit dan verwacht. Hij kon nauwelijks nog een stukje lopen. Daarna kwamen de afspraken in het ziekenhuis, onderzoeken, een operatie die werd uitgesteld en uiteindelijk toch doorging. Marjan heeft zelf ook geen rijbewijs meer; ze heeft jaren geleden besloten niet meer te rijden na een kleine aanrijding op de A2. Dus Willem, mijn man, bood meteen aan om Kees te brengen.
Dat vond ik normaal. Natuurlijk vond ik dat normaal.
De eerste keer was het één rit naar het ziekenhuis in Nieuwegein. Daarna moest Kees nuchter terug voor een controle. Toen bleek er thuis een lekkage onder de keukenkraan te zitten en vroeg Marjan of Willem misschien even kon kijken. Willem is geen loodgieter, maar hij is handig en hij zegt zelden nee. Vervolgens moest er een hoog-laagbed komen en moest de slaapkamer worden aangepast. Er kwamen mensen van de thuiszorg, een ergotherapeut, iemand voor hulpmiddelen. Marjan raakte de draad kwijt in alle afspraken en belde Willem soms drie keer op een ochtend.
Hij nam altijd op.
Soms zat ik tegenover hem aan tafel, met de koffie koud tussen ons in, terwijl hij zei: “Ja, ik kom na de lunch wel even.” Of: “Nee joh, geen moeite.” Hij bedoelde het goed. Echt. Willem is nooit iemand geweest die makkelijk wegkijkt als iemand hulp nodig heeft.
Maar ons leven begon er wel omheen te draaien. Wij waren juist net een beetje gewend geraakt aan het pensioen. Geen wekker, op dinsdag naar de markt, af en toe met de trein naar een stad waar we nog nooit waren geweest. We hadden een midweekje Drenthe gepland, niets bijzonders, gewoon een huisje buiten Dwingeloo met onze fietsen achterop. Dat ging niet door omdat Kees die week onverwacht terug moest naar het ziekenhuis en Marjan in paniek belde.
Ik heb toen gezegd dat ik het jammer vond. Willem keek me aan alsof ik iets heel kleins en kinderachtigs zei.
“Hij kan er toch ook niks aan doen?” zei hij.
Nee, natuurlijk niet. Daar ging het niet om. Maar ik wist niet goed hoe ik moest uitleggen dat ik niet boos was op Kees omdat hij ziek was. Ik werd boos omdat alles vanzelfsprekend bij ons terechtkwam. Alsof wij geen agenda, geen plannen en geen grenzen hadden, alleen maar een auto, tijd en een reservepaar handen.
Marjan begon ook anders te klinken aan de telefoon. Niet onaardig, maar gejaagd. “Willem kan toch vast wel?” zei ze dan. Niet: zou het misschien lukken, of hebben jullie tijd. En ik snap haar best. Ze is bang, moe en ze wil haar man niet alleen laten. Alleen merkte ik dat ik steeds stiller werd wanneer we daar koffie dronken. Ik ging afwassen, ruimde glazen op die niemand mij vroeg op te ruimen. Daarna schaamde ik me weer voor mijn eigen irritatie.
De echte ruzie tussen Willem en mij kwam toen Kees hoorde dat hij na zijn revalidatie nog vier weken naar een herstelzorglocatie in Zeist moest. Marjan wilde daar zo veel mogelijk heen. Ze vroeg of wij in die maand op hun huis konden passen. De post, de planten, een keer luchten, en vooral kijken of alles goed ging. Hun kat was inmiddels bij hun dochter ondergebracht.
“Het is maar een maand,” zei Willem die avond. “Ze wonen letterlijk tien minuten rijden hiervandaan.”
Ik zei: “Tien minuten heen, tien minuten terug, en dan sta jij daar toch weer een uur omdat er iets loszit of Marjan wil overleggen.”
Hij zuchtte meteen. Dat zuchten kende ik. Het betekende dat hij vond dat ik moeilijk deed voordat hij het letterlijk uitsprak.
“Het zijn Kees en Marjan, Els.”
“Ja. Precies. Het zijn Kees en Marjan. Niet jouw ouders, niet onze kinderen. En we zijn al maanden bezig.”
Hij werd boos. Niet hard schreeuwen, zo zijn we allebei niet, maar hij zei dat hij niet begreep dat ik mensen die zo lang bij ons leven hoorden nu in de steek wilde laten. Dat woord, in de steek laten, bleef hangen. Alsof ik had voorgesteld hun voordeur dicht te timmeren en mijn telefoon uit te zetten.
Ik zei iets lelijks terug. Ik zei dat hij vooral zo gul kon zijn met onze tijd omdat ik thuis alles opving. De boodschappen, de was, afspraken die we afzegden, het wachten als hij weer eens “even” weg was. Dat was niet helemaal eerlijk, want Willem doet thuis genoeg. Maar op dat moment kwam alles eruit zoals het eruit kwam.
Die avond hebben we apart televisie gekeken. Hij in de woonkamer, ik boven met een serie die ik niet echt volgde. De volgende ochtend lag hij al naast me wakker. Hij zei alleen: “Ik heb Marjan gezegd dat we het niet kunnen doen.”
Ik voelde opluchting, en daar schrok ik van. Want er zat ook verdriet onder. Niet om die planten, eerlijk gezegd. Om het feit dat wij kennelijk niet meer wisten hoe we vrienden moesten zijn zonder dat één van ons de ander nodig had.
Willem heeft daarna voorgesteld om één vaste middag per week naar hun huis te gaan zolang Kees weg is. Dan kan hij de post doen, wat planten water geven en Marjan helpen met dingen die ze verzamelt. Niet elke dag, niet op afroep. Marjan was eerst stil aan de telefoon. Later stuurde ze mij een berichtje: dat ze het begreep, maar dat ze zich blijkbaar meer aan ons had vastgehouden dan ze zelf doorhad.
Ik heb nog niet gereageerd. Niet omdat ik haar wil straffen. Ik weet gewoon niet hoe ik moet schrijven dat ik van haar houd en tegelijk bang ben dat ik, als ik nu weer toegeef, opnieuw verdwijnt in iemands anders nood.
De sleutel ligt nog steeds in die envelop op het kastje. Willem gaat hem morgen terugbrengen. We zouden daarna eigenlijk naar de markt gaan voor vis. Ik hoop dat we dat ook echt doen.