Na veertig jaar vaste vriendenavonden wil ik niet langer vanzelfsprekend overal bij zijn
Vorige maand stond ik op zaterdagochtend om half negen een schaal huzarensalade te maken voor mensen die pas om zeven uur ’s avonds zouden komen.
Ik weet nog dat ik naar die aardappels stond te kijken en dacht: waarom doe ik dit eigenlijk? Niet eens boos. Meer alsof ik ineens van een afstandje naar mezelf keek. Ik was 64, werkte nog drie dagen per week op de administratie van een zorginstelling en telde voorzichtig af naar mijn pensioen in november. Mijn vrije zaterdag begon met uien snijden voor een avond waar ik eigenlijk helemaal geen zin in had.
Onze vriendengroep bestaat uit vijf stellen. We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, via de korfbalvereniging en de straat waar we toen allemaal ongeveer tegelijk een huis konden kopen. Inmiddels wonen we verspreid over Amersfoort, Leusden en Hoevelaken, zijn er kleinkinderen, twee scheidingen bij de kinderen, een hartinfarct, een verhuizing naar een appartement en heel veel verjaardagen geweest.
Iedere eerste zaterdag van de maand doen we iets. Bowlen, wandelen, uit eten, een museum, kaarten bij iemand thuis. In de zomer een weekend weg, meestal naar Limburg of de Achterhoek. Met kerst hebben we al jaren gourmetten bij ons, want wij hebben de grootste eettafel.
Mijn man Kees is degene die de appgroep levend houdt. Hij maakt lijstjes, prikt data, belt mensen die niet reageren. Als iemand zegt: ‘Maakt mij niet uit’, wordt Kees daar gek van. Dan stuurt hij alsnog drie opties en een poll. Hij vindt het oprecht leuk. Hij zegt altijd dat je vriendschappen moet onderhouden, alsof het planten in de tuin zijn.
En ik was degene die zorgde dat er glazen waren, dat er genoeg vegetarisch was voor Marja, dat de wc-papier niet op was en dat iemand die te veel gedronken had een kop koffie kreeg voordat hij naar huis ging. Ik deed dat niet omdat iemand mij gedwongen heeft. Ik vond het vroeger ook gezellig. Vooral toen de kinderen klein waren. Dan was het fijn om volwassenen om je heen te hebben die je geschiedenis kenden.
Maar de laatste jaren ben ik er moe van geworden. Niet van iedereen afzonderlijk, denk ik. Als ik met Ans koffie drink, kan ik uren met haar praten. En Henk is nog steeds zo’n man die oprecht vraagt hoe het met je moeder gaat. Alleen die hele groep bij elkaar, dat vaste ritme, dat vooruitdenken… ik voel er druk van.
Misschien komt het ook doordat mijn werk me sinds corona veel energie kost. Ik zit niet meer rustig op een kantoor met drie collega’s. Alles gaat digitaal, er zijn tekorten, er is gedoe met roosters, mensen zijn korter lontje. Als ik thuiskom, wil ik soms gewoon een boterham eten in mijn joggingbroek en nergens over praten.
Kees begrijpt dat wel als het over werk gaat. Hij zegt dan: ‘Nog even, lief.’ Maar hij denkt blijkbaar dat ik na mijn pensioen automatisch weer alle ruimte zal hebben voor onze agenda.
In januari had hij al voorgesteld om in mei met de groep naar een vakantiepark in Drenthe te gaan. Vijf huisjes, gezamenlijke barbecue, fietsen huren. Hij had het al bijna rond toen ik zei dat ik misschien liever met mijn zus Irene naar Portugal wilde. Irene is twee jaar ouder dan ik en sinds haar scheiding woont ze alleen in Zwolle. We hadden het er al eens losjes over gehad: een weekje Lissabon, gewoon met z’n tweeën, geen programma behalve wat wij zelf bedenken.
Kees keek me aan alsof ik had gezegd dat ik wilde emigreren.
‘Maar dat weekend ligt al vast,’ zei hij.
‘Bij jou misschien.’
Dat kwam er scherper uit dan ik bedoelde. Hij werd rood in zijn nek, wat hij krijgt als hij zich aangevallen voelt.
‘Je weet toch hoe belangrijk dat voor iedereen is? We doen dit al jaren.’
Ik zei dat ik juist daarom eens iets anders wilde doen. Hij zei dat ik ook op een ander moment naar Portugal kon. Alsof mijn zus en ik een afspraak in een tandartsagenda waren die je gewoon kon verschuiven.
Het werd geen grote ruzie. Dat is bijna erger bij ons. Kees ging de schuur in om aan zijn fiets te rommelen en ik ging boven de was opvouwen die helemaal niet opgevouwen hoefde te worden. Die avond aten we zwijgend nasi uit een pakje.
Een week later stuurde hij in de appgroep dat ‘wij’ helaas niet mee zouden gaan naar Drenthe vanwege andere plannen. Ik zag het toevallig toen mijn telefoon op tafel lag. Hij had het zonder mij te vragen zo geformuleerd. Meteen kwamen er reacties met zielige gezichtjes en vragen of alles wel goed was.
Marja belde me diezelfde avond. Niet om te vragen hoe het met mij ging, maar vooral om te zeggen dat ze het zo jammer vond voor Kees. ‘Hij kijkt hier altijd maanden naar uit, joh.’
Ik weet dat zij het niet kwaad bedoelde. Toch voelde ik iets dichtklappen. Alsof ik niet een persoon was die een keuze maakte, maar een storing in een systeem.
Daarna kwam het echte gesprek pas. Kees zei dat ik de groep ongemakkelijk maakte. Dat mensen nu niet wisten of ze mij nog wel moesten vragen. Ik zei dat ze me gewoon konden vragen, maar dat ik niet meer standaard ja wilde zeggen. Dat lijkt mij niet ingewikkeld, maar voor hem blijkbaar wel.
‘Je kunt toch niet na veertig jaar ineens alleen komen als het jou uitkomt?’ zei hij.
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
Hij had daar geen helder antwoord op. Hij zei iets over samen een stel zijn en dat mensen het raar vinden als hij alleen komt. Ook zei hij, en dat kwam wel binnen: ‘Ik heb het gevoel dat je mij in de steek laat.’
Dat is niet wat ik wil. Kees is geen man met een enorme vriendenkring buiten deze groep. Hij heeft zijn oud-collega’s nog, maar die ziet hij hooguit een paar keer per jaar. Bij onze vrienden is hij degene die grappen maakt, plannen regelt, mensen bij elkaar houdt. Daar voelt hij zich nodig. Misschien ben ik bang geweest om juist dat onderuit te halen.
Maar ik ben ook nodig geweest, al zei niemand dat ooit zo. Niet als persoon misschien, maar als degene die onthield dat Theo geen rode wijn drinkt vanwege zijn medicijnen. Die nog een logeermatras neerlegde als iemand niet meer naar huis kon. Die na afloop de kaarsvetvlekken van de tafel krabde terwijl Kees al zei: ‘Was weer ouderwets gezellig.’
Vorige week hebben we weer een afspraak gehad, een lunchwandeling bij de Soesterduinen. Kees ging wel. Ik niet. Ik had tegen hem gezegd dat ik thuis wilde blijven en de tuin eindelijk wilde doen. Uiteindelijk heeft het de hele ochtend geregend. Ik heb op de bank gezeten met een deken, koffie en een boek dat al maanden half uitgelezen op mijn nachtkastje lag.
Om kwart over vier kwam Kees thuis. Zijn jas rook naar natte hond en bosgrond. Hij zette zijn schoenen in de bijkeuken en zei dat het best gezellig was geweest, maar dat iedereen had gevraagd waar ik was.
‘En wat heb je gezegd?’ vroeg ik.
Hij keek even naar de vloer.
‘Dat je een rustige dag nodig had.’
Dat vond ik lief, juist omdat ik wist dat hij het zelf nog steeds niet begreep.
In november stop ik met werken. Irene en ik hebben Portugal nog niet geboekt, omdat haar dochter misschien gaat bevallen rond die tijd. De reis naar Drenthe gaat zonder ons door. Met kerst komen ze waarschijnlijk gewoon weer hier gourmetten, want ik heb nog niet de moed gehad om dat ook ter discussie te stellen.
Maar ik heb wel gezegd dat ik dit jaar geen twaalf gangen en drie soorten salade maak. Kees zei dat hij dan wel wat bestelt bij de slager.
Ik geloof hem pas als ik het zie, maar het is in elk geval een begin.