Sinds Pieter met pensioen is, voelt onze vriendschap ineens alsof we ons moeten verantwoorden
Vorige week heb ik een schaal met zalm terug in de koelkast gezet omdat ik ineens niet meer wist of Pieter vis nog wel verantwoord vond.
Dat klinkt misschien belachelijk, maar zo is het de laatste maanden geworden. Vroeger dacht ik bij een etentje met Pieter en Marjan alleen aan de vraag of ik genoeg stoelen had en of Hans weer te veel wijn zou inschenken. Nu voelt elk pakje roomboter bijna als een statement.
We kennen elkaar sinds 1983. Hans en ik studeerden in Utrecht, Pieter deed toen economie en woonde twee deuren verder in een gammel huis aan de Gansstraat. Marjan studeerde verpleegkunde. We hadden geen geld, maar wel altijd plannen. We aten pasta met veel te veel knoflook, leenden elkaars fietsen en gingen kamperen in Frankrijk met een tent waarvan de rits halverwege de vakantie kapotging.
Later kregen we banen, kinderen, hypotheken, gedoe met ouders die ouder werden. We bleven elkaar zien. Niet op een overdreven manier, maar wel trouw. Elke maand bij iemand eten. Om de beurt. En elk jaar samen weg, meestal naar hetzelfde kleine hotel in Zuid-Tirol waar we inmiddels de eigenaar en zijn vrouw bij naam kennen. Geen vijfsterrenluxe, echt niet. Maar wel een goed bed, een balkon, ontbijt met van die kleine potjes jam en ’s avonds een fles wijn op tafel zonder dat je eerst hoeft na te denken over wie er nog naar huis moet rijden.
Pieter ging afgelopen voorjaar met pensioen. Hij was jarenlang teamleider bij de gemeente Amersfoort geweest, altijd druk, altijd bereikbaar. Wij dachten eerlijk gezegd dat hij na twee weken thuis gek zou worden.
In plaats daarvan veranderde hij.
Het begon vrij onschuldig. Hij las boeken over ontspullen, zei dat hij geen spullen meer wilde bezitten die hem bezaten. Prima, dacht ik. Hij bracht dozen naar de kringloop, zegde tijdschriften op, verkocht zijn motor. Marjan vond het soms lastig, maar zei ook: “Hij is eindelijk eens ergens enthousiast over.”
Daarna kwam er geen vlees meer in huis. Ook prima. Vervolgens geen nieuwe kleding, geen vliegvakanties, geen koffiecups, geen cadeaus behalve tweedehands of zelfgemaakt. Pieter ging met de trein naar afspraken waarvoor hij vroeger zonder nadenken de auto pakte. Hij vertelde er veel over, maar in het begin luisterden we gewoon. Hij klonk opgelucht. Alsof hij een jas uit had getrokken die te strak zat.
Het kantelpunt kwam tijdens een etentje bij ons in juni. Ik had, nogal ouderwets misschien, uitgebreid gekookt omdat Marjan jarig was. Asperges, zalm uit de oven, krieltjes, daarna aardbeien met mascarpone. Pieter at weinig en zei op een gegeven moment dat hij het moeilijk vond om nog mee te doen aan ‘dit soort avonden’.
Ik dacht eerst dat hij bedoelde dat hij zich ongemakkelijk voelde door zijn dieet. Dus ik zei dat we de volgende keer met alle liefde vegetarisch konden koken.
Hij schudde zijn hoofd.
“Het gaat niet alleen om het eten, Els. Het is het hele idee. Zoveel kopen, zoveel weggooien, altijd maar speciaal doen omdat we bij elkaar komen.”
Hans zei, veel te snel: “We gooien toch niks weg?”
En Pieter zei toen: “Nee, maar jullie snappen wel wat ik bedoel.”
Dat zinnetje bleef hangen. Niet omdat het zo gemeen was, maar juist omdat het klonk alsof wij iets niet wilden snappen. Alsof wij kinderen waren die nog niet doorhadden hoe de wereld in elkaar zat.
Marjan zat met haar servet te vouwen. Ik weet nog dat ik daar boos om werd, terwijl zij daar natuurlijk ook niets aan kon doen. Zij had die schaal aardbeien meegebracht. Bij de groenteboer, vermoed ik. Niet biologisch genoeg misschien, ik weet het niet eens meer.
Na die avond vroeg Marjan of we in plaats van Zuid-Tirol misschien iets anders wilden doen. Pieter wilde niet meer naar een hotel met dagelijks schone handdoeken, een uitgebreid buffet en gasten die volgens hem ‘voor hun plezier de halve wereld doorrijden’. Hij had een natuurcamping gevonden in Drenthe. Zonder stroomplaatsen, met een composttoilet en een klein veld waar je zelf je tent moest opzetten.
Hans en ik hebben een caravan gehad toen de kinderen klein waren. We zijn echt niet vies van kamperen. Maar we zijn allebei 62. Hans heeft een knie die opspeelt als hij te lang op een luchtbed ligt en ik word ’s nachts drie keer wakker als het koud is. Bovendien: die vakantie was altijd ónze week. Wandelen, lezen, een terrasje, nergens boodschappen overdenken. Gewoon even comfortabel zijn, zonder schuldgevoel.
Hans antwoordde in de groepsapp dat we best duurzaam met de trein wilden gaan en dat we ook een eenvoudiger appartement konden zoeken, maar dat kamperen voor ons geen optie was.
Pieter reageerde pas de volgende dag. “Dan kiezen jullie dus bewust voor gemak boven verandering. Dat mag, maar dan pas ik.”
Ik heb die zin zeker twintig keer gelezen. Ik wist niet eens precies waarom ik er zo verdrietig van werd. Misschien omdat hij natuurlijk gelijk heeft dat wij voor gemak kiezen. Maar sinds wanneer moet je daarvoor bij je beste vrienden een verklaring afleggen?
Marjan belde me later. Ze huilde niet, maar haar stem was vlak. Ze zei dat Pieter thuis ook steeds stelliger werd. Hij had de vaatwasser nauwelijks nog willen gebruiken. Hij vond de cv te hoog. Hij wilde een deel van hun spaargeld weggeven, terwijl Marjan juist bang is dat ze later zorg nodig hebben en niet alles bij de kinderen willen neerleggen.
“Hij heeft eindelijk tijd om na te denken,” zei ze. “En volgens mij denkt hij nu dat alles wat we vroeger deden verkeerd was.”
Dat vond ik pijnlijk om te horen. Pieter was nooit iemand die anderen klein maakte. Integendeel. Toen mijn moeder overleed, stond hij met een pan soep op de stoep zonder eerst te vragen of dat uitkwam. Toen Hans zonder werk zat na die reorganisatie, was Pieter degene die iedere week even belde zonder met oplossingen te komen.
Misschien is dat waarom ik nog steeds niet gewoon boos kan zijn.
Afgelopen zondag zijn Hans en ik bij hen geweest om koffie te drinken. Pieter had havermelk, zelfgebakken brood en jam in potjes die hij van een buurman had gekregen. Hij leek zenuwachtig. Hij zei dat hij niet wilde oordelen, maar dat hij niet langer kon doen alsof onze manier van leven hem niets deed.
Ik zei dat hij van mij mag leven zoals hij wil. Echt. Maar dat ik niet iedere keer wil voelen dat mijn keuzes tekortschieten zodra we samen aan tafel zitten.
Hij keek naar zijn handen en zei: “Maar als je ziet dat iets schadelijk is, kun je het toch niet negeren omdat het gezellig moet blijven?”
Daar had ik niet direct antwoord op. Want nee, helemaal niet. Alleen was mijn eerste gedachte ook: waarom moet gezelligheid ineens iets vies worden? Waarom is een etentje met mensen van wie je houdt meteen bewijs van verspilling?
Hans werd stil. Dat gebeurt bijna nooit. Op weg naar huis zei hij dat we misschien gewoon naar Drenthe moesten, één keer dan. Ik zei dat ik niet wilde kamperen om te bewijzen dat ik een goed mens ben. Daar kregen we ruzie over, heel kinderachtig eigenlijk, bij de rotonde bij de supermarkt.
De vakantie hebben we nog niet geboekt. Marjan appte gisteren dat Pieter waarschijnlijk thuisblijft als wij toch naar Zuid-Tirol gaan. Zij weet zelf nog niet wat ze doet.
Vanavond eten Hans en ik restjes. De zalm ligt nog steeds in de koelkast, dus die maak ik gewoon klaar. Ik denk dat ik Marjan straks een bericht stuur, alleen aan haar. Niet over de vakantie. Gewoon vragen hoe het met haar is.
Want misschien verliezen we niet in één keer een vriendschap van veertig jaar. Misschien raakt die eerst op een vreemde manier uit elkaar, maaltijd voor maaltijd, plan voor plan. En misschien is dat nog het ergste: dat ik niet weet of ik moet meebewegen, of eindelijk moet zeggen dat ik hier niet in mee wil.