Mijn vrouw maakte van onze strakke tuin een wildernis, en ik schaam me dat ik daar zo boos om werd

Vorige week stond ik met een vuilniszak in mijn hand bij de kliko toen buurman Kees over de schutting keek. Hij zei niks vervelends, hoor. Hij vroeg alleen of we soms de hovenier hadden opgezegd.

Maar ik voelde mijn wangen warm worden.

Achter hem zag ik onze voortuin, die altijd strak was geweest: twee buxusblokken, grind dat ik ieder voorjaar bijvulde, de beukenhaag netjes op één hoogte. Nu zat er een rommelig gat in de haag aan de zijkant. Daarachter stonden lange stengels, grassen en iets met paarse bloemetjes dat alle kanten op hing. Er zoemde van alles. Ook dat nog.

“Mijn vrouw is bezig met een plan,” zei ik.

Kees knikte alsof hij het begreep, maar hij keek net iets te lang naar dat gat. Daarna zei hij dat hij weer verder moest. Ik heb de vuilniszak in de verkeerde bak gegooid. Restafval bij het plastic. Dat soort dingen doe ik normaal gesproken niet.

Mijn vrouw, Marjan, is sinds januari met pensioen. Ze werkte 37 jaar bij een verzekeraar in Utrecht, eerst op de administratie en later als teamcoördinator. Altijd vroeg op, nette kleding, agenda vol, broodjes gesmeerd voor de volgende dag. Ze was goed in haar werk, maar de laatste jaren kwam ze vaker stil thuis. Dan vroeg ik hoe haar dag was en zei ze: “Ach, dezelfde poppenkast.”

Ik ben zelf nog niet helemaal gestopt. Ik werk drie dagen per week bij een installatiebedrijf, vooral planning en calculatie. Niet omdat het financieel per se moet, al is het fijn dat er nog wat binnenkomt. Ik vind het prettig om ergens verwacht te worden. Thuis is het sinds januari anders. Marjan is er altijd, maar ook niet echt. Ze leest stapels boeken over inheemse planten, kijkt filmpjes van mensen die een tegel eruit halen alsof ze een gevangene bevrijden, en bestelt zaden via internet waarvan ik de namen niet kan onthouden.

In het begin vond ik het wel aandoenlijk. Ze had jarenlang nauwelijks tijd voor zichzelf gehad. Als ze op zaterdag met haar knieën in de aarde zat en met zwarte vingers binnenkwam, zag ik iets aan haar gezicht wat ik lang niet had gezien. Ze was niet moe of gejaagd. Ze praatte dan over wilde marjolein of kattenstaart alsof ze nieuwe collega’s had gekregen.

Alleen had ik gedacht dat ze ergens achter in de tuin een hoekje zou maken.

Dat zei ik ook. “Doe daar bij de compostbak lekker je gang. Of langs het schuurtje. Maar niet de hele boel.”

Ze keek me toen aan alsof ik haar toestemming gaf om een paar potjes basilicum neer te zetten.

“Het werkt niet als het een hoekje is, Hans. Insecten hebben verbinding nodig. Verschillende lagen. Schuilplekken.”

Ik zei dat wij geen insectenhotel runnen. Dat kwam er flauwer uit dan ik bedoelde. Zij zei niks terug, maar ik merkte dat ze dichtklapte.

De tuin hebben we twintig jaar geleden laten aanleggen, toen we dit huis in Amersfoort kochten. Het was toen al een groot huis voor ons tweeën, maar we wilden ruimte. Onze dochter Lotte woonde nog thuis en later kwamen de kleinkinderen vaak logeren. Ik heb jarenlang overuren gedraaid. Marjan ook, op haar manier. Vakanties waren meestal een weekje Frankrijk met de caravan, niet omdat we dat het mooiste vonden maar omdat het betaalbaar was. We hebben alles stap voor stap gedaan: de aanbouw, de nieuwe keuken, zonnepanelen, die tuin.

Die tuin was voor mij nooit alleen gras en hagen. Het was bewijs dat het gelukt was. Dat we niet meer hoefden te kijken of er aan het eind van de maand nog genoeg overbleef. Zaterdagmorgen maaien, kanten steken, de bladeren weg. Daarna koffie, krant, alles netjes. Misschien klinkt dat zielig, maar ik werd daar rustig van.

Drie weken geleden kwam ik op donderdag eerder thuis. Ik had een afspraak die uitviel. Op de oprit stond een aanhanger. In de tuin lagen takken, wortels en stukken haag. Niet een klein stukje. Een hele strook van zeker acht meter was eruit.

Marjan stond met een schop bij een hoop zwarte aarde. Ze droeg mijn oude regenjas en haar haar zat onder haar pet gepropt.

Ik vroeg wat er in hemelsnaam gebeurde.

Ze zei: “Ik heb eindelijk iemand gevonden die met een minigraver kon komen. Anders bleef het weer bij plannen.”

Ik weet nog dat ik eerst niets zei. Ik liep naar de plek waar de haag had gestaan. Je keek nu vanaf het terras bijna tot aan de schutting van de buren. Het voelde kaal, alsof iemand een muur uit ons huis had gehaald.

“Je had dit toch kunnen overleggen?” vroeg ik.

“Dat heb ik geprobeerd, Hans.”

“Proberen is niet hetzelfde als besluiten voor ons allebei.”

Daar werd ze boos van. Niet hard schreeuwen, dat doet Marjan bijna nooit. Juist dat lage praten, met tranen die ze wegknippert, is erger.

“Alles moet hier altijd eerst langs jouw meetlat,” zei ze. “De kleur van de kozijnen, de bank, de lamp boven de tafel. Jij noemt het overleg, maar als ik iets anders wil dan jij, is het ineens onpraktisch of rommelig.”

Dat vond ik onterecht. De lamp heeft zij uitgezocht. De bank ook, uiteindelijk. Maar ik wist ook meteen welke voorbeelden ze bedoelde. Haar voorstel om een schildercursus te doen toen Lotte net uit huis was. Dat vond ik toen zonde van het geld. De baan bij een kleinere organisatie die ze graag wilde, maar die minder zekerheid gaf. Ik zei niet dat ze het niet mocht doen. Ik zei alleen allerlei verstandige dingen, net zo lang tot ze zelf zei dat het misschien inderdaad geen goed idee was.

Die avond heb ik voorgesteld om een hovenier te bellen. Niet om alles terug te draaien, zei ik, maar om er een degelijk plan van te maken. Iets met vaste borders, misschien een paar wilde planten ertussen. Dan bleef het verzorgd. De man die onze tuin vroeger deed, Arie, kan echt prachtig werk leveren.

Marjan keek me aan en zei: “Jij wilt Arie bellen zodat het weer jouw tuin wordt.”

Ik heb gezegd dat het ook mijn tuin is. Dat was waar, maar het klonk beroerd.

Sindsdien praten we vooral praktisch. Wie doet boodschappen, wanneer komt Lotte met de kinderen, of er nog koffie is. Marjan is buiten als ik thuiskom. Soms staat ze met haar telefoon foto’s te maken van een vlinder of een kever. Afgelopen zondag riep ze me zelfs enthousiast omdat er een egel onder de oude sering zat. Ik ging kijken, omdat je niet kunt zeggen dat je geen egel wilt zien. Hij zat daar echt, klein en bibberig tussen de bladeren.

Marjan stond naast me met een glimlach die ik jaren geleden ook zag toen Lotte haar eerste stappen zette. Ik voelde toen iets zachts, en tegelijk irritatie omdat ik dacht aan de rommel, de open haag, de buren die er ongetwijfeld wat van vinden.

Ik ben niet trots op hoe belangrijk dat laatste voor me is. Misschien ben ik bang dat, als de tuin verandert, alles verandert. Dat Marjan straks dingen gaat doen waar ik niet in pas. Dat klinkt overdreven als ik het opschrijf. Ze wil planten zetten, geen ander leven beginnen.

Vanmorgen lag er een folder op tafel van een kwekerij in Drenthe. Ze wil zaterdag gaan. Ik heb hem niet weggegooid. Ik heb ook Arie nog niet gebeld.

Maar ik heb wel gemeten hoe lang die open strook precies is. Dat deed ik bijna zonder na te denken.