Mijn zoon wil liever terug naar zijn kleine huurwoning dan nog langer bij ons wonen
De eerste keer dat mijn kleinzoon Mees onder de keukentafel kroop, dacht ik nog dat hij een spelletje deed.
Hij was net drie, had een half opgegeten krentenbol in zijn hand en keek met van die grote, stille ogen naar de gang. Ik had tegen mijn zoon Daan gezegd dat hij zijn schoenen niet midden voor de achterdeur moest laten liggen. Niet eens geschreeuwd, vond ik zelf. Gewoon stevig gezegd. Maar Mees kroop weg alsof er iets viel.
Mijn vrouw Ingrid zag het ook. Ze zei niets op dat moment. Ze pakte Mees op, veegde de kruimels van zijn trui en zei dat oma wel even een boekje ging lezen.
Wij zijn 64 en 66. Ik heb mijn hele werkende leven in de installatietechniek gezeten, Ingrid werkte eerst in een supermarkt en later in de thuiszorg. We hebben geen luxe leven geleid, maar wel zuinig geleefd. Geen verre vakanties, altijd tweedehands auto’s, elk jaar iets aan het huis gedaan als er geld voor was. Dit huis in Apeldoorn was ooit een gewone tussenwoning. Toen de buren jaren geleden verhuisden, konden we hun stuk erbij kopen en hebben we verbouwd. Beneden een slaapkamer en badkamer, boven genoeg ruimte. Veel te veel ruimte, eerlijk gezegd, sinds Daan uit huis was.
Daan en zijn vriendin Soraya woonden met Mees in een sociale huurwoning, twee slaapkamers, vochtig hoekje bij het slaapkamerraam, buren die tot laat harde muziek draaiden. Daan werkt in een magazijn via een uitzendbureau, soms vijf dagen, soms ineens drie. Soraya is na haar zwangerschapsverlof minder gaan werken omdat de opvang bijna net zoveel kostte als ze verdiende. Elke keer als we langsgingen, lag er wel een rekening op tafel. Niet omdat zij onverantwoordelijk met geld omgaan. Juist niet. Ze rekenden alles drie keer na.
Toen we voorstelden dat ze bij ons konden komen wonen, voelde dat logisch. Geen huur meer voor hen, alleen bijdragen aan boodschappen en energie. Zij konden sparen. Mees kreeg een eigen kamer en een tuin. Wij zouden later beneden kunnen blijven wonen als dat nodig werd. Iedereen zei: wat mooi, drie generaties onder één dak.
Achteraf denk ik dat we vooral hoorden wat we wilden horen.
De eerste maanden waren goed. Mees plukte aardbeien met Ingrid. Soraya kookte vaak voor iedereen, soms Surinaams, soms gewoon stamppot. Daan maakte een kast op maat in de kamer van Mees. Met kerst zaten we met z’n allen aan de lange tafel die ik zelf ooit uit een oude werkbank heb gemaakt. Ik was trots. Misschien te trots.
Langzaam begon ik me aan dingen te ergeren. De kinderwagen in de hal. Speelgoed onder de bank. Een wasmand die twee dagen op de overloop bleef staan. Daan die na zijn werk op de bank plofte terwijl ik buiten de bladeren uit de dakgoot stond te halen.
Ik zei niet meteen iets, of ik zei het half. ‘Die tuin is ook van jullie hoor.’ Of: ‘Als je toch thuis bent vrijdag, kunnen we wel even samen naar die schutting kijken.’ Daan zei dan: ‘Ja pa, komt goed.’ Maar het kwam vaak niet goed, of niet op de manier waarop ik het voor me zag.
En dan was er Mees.
Hij is een lief, druk mannetje. Hij gooit eten op de grond, krijst als hij zijn zin niet krijgt, wil zelf zijn jas aantrekken en wordt boos als dat niet lukt. Normaal peutergedrag, zegt Soraya. Zal best. Maar ik ben opgegroeid met het idee dat een kind moet weten waar het aan toe is. Niet slaan, dat heb ik bij Daan ook nooit gedaan. Nou ja, nooit… Ik heb hem één keer een tik op zijn billen gegeven toen hij een lucifer had aangestoken in de schuur. Hij was zes. Ik schaam me daar nog steeds voor, juist omdat ik het gezicht van mijn vader toen even in mezelf herkende.
Mijn vader sloeg wel. Met zijn hand, met zijn riem, met wat er voorhanden was. Daarna deed iedereen alsof er niets gebeurd was. Mijn moeder zette koffie. Mijn zus en ik praatten zachter. Als iemand vroeg waarom ik een blauwe plek had, zei ik dat ik van mijn fiets was gevallen. Mijn vader is al jaren dood en ik heb er pas na zijn begrafenis met Ingrid over gesproken. Zelfs Daan weet niet alles.
Ik wilde nooit zo worden. Daarom dacht ik dat streng zijn iets anders was. Duidelijk. Correct. Geen gezeur.
Soraya zei op een middag dat ik Mees niet telkens moest corrigeren waar zij bij was. Mees had met zijn voeten op de bank gestaan. Ik zei: ‘Nee, vriend, eraf. Nu.’ Hij luisterde niet en ik tilde hem eraf. Niet hard. Maar Soraya keek alsof ik hem pijn had gedaan.
‘Wij pakken dat zelf op,’ zei ze.
Ik zei: ‘In mijn huis springt hij niet op de bank.’
Daar stond het dan. Mijn huis.
Ze zei niks terug, maar die avond hoorde ik haar huilen in hun zitkamer. Onze muren zijn dik, maar niet zo dik.
De echte ruzie kwam in april, toen ik Daan vroeg om op zaterdag te helpen met de achtertuin. De tegels bij het terras lagen scheef en de haag moest flink terug. Ik had een aanhanger geregeld. Daan zei dat hij die dag met Soraya en Mees naar haar zus zou gaan, omdat haar nichtje jarig was.
Ik verloor mijn geduld. Ik zei dat hij hier niet in een hotel woonde. Dat hij geen huur betaalde, dat wij alles hadden omgegooid voor hen, en dat twee uur helpen toch niet te veel gevraagd was.
Daan werd rood en keek eerst naar de grond. Dat deed hij vroeger ook als ik boos werd. Toen zei hij: ‘Je vraagt nooit twee uur, pa. Je vraagt dat ik beschikbaar ben wanneer jij vindt dat het moet.’
Ik zei dat dat onzin was.
Hij zei: ‘En met Mees doe je hetzelfde. Je doet alsof je alleen maar helpt, maar je wilt overal het laatste woord over.’
Ik weet nog dat Ingrid aanrechtkastjes dichtdeed die al dicht waren. Soraya stond bij de deur met haar jas nog aan. Mees zat op de grond met een autootje en zei helemaal niets.
Daan zei dat hij liever terugging naar die kleine woning, met schimmel en lawaai, dan dat Mees elke dag voelde dat zijn vader zich moest verantwoorden. Dat kwam hard aan. Niet omdat ik vond dat hij geen punt had, denk ik. Maar omdat ik ineens hoorde hoe hij mij zag.
Alsof ik mijn hulp gebruikte om hem klein te houden.
Ik heb toen iets stoms gezegd. ‘Als je dat wilt, ga dan maar.’ Meteen daarna wist ik dat ik precies klonk zoals mijn vader. Niet omdat de woorden hetzelfde waren, maar omdat er geen ruimte in zat. Alleen een deur die dicht kon.
Daan en Soraya hebben zich ingeschreven voor andere woonruimte, maar dat betekent natuurlijk niet dat er morgen iets vrijkomt. Ze wonen er dus nog. We eten meestal apart. Ingrid brengt Mees soms naar de peuterspeelzaal. Daan helpt inmiddels wel af en toe in de tuin, maar dan vraag ik bijna niets meer, waardoor het ook weer ongemakkelijk wordt.
Vorige week vond ik Mees met een plantenspuit bij de achterdeur. Hij spoot water op de tegels en lachte erom. Ik wilde zeggen dat hij ermee moest ophouden, want het werd een bende. Ik voelde het al in mijn keel zitten.
Toen keek hij naar me op en hield hij de plantenspuit gewoon naar me uit.
‘Opa ook?’ vroeg hij.
Ik heb hem aangenomen en we hebben samen de tegels natgespoten. Ingrid keek vanuit het raam en draaide zich toen maar weer om naar de afwas.
De haag moet nog steeds gedaan worden. Daan zegt dat hij volgende zondag kan. Ik weet niet of ik hem daaraan ga houden.