Onze vrienden willen dat we met hen meegaan naar een seniorenhof, maar ik ben nog niet klaar om mijn tuin en vrijheid in te ruilen
Ik wist dat er iets veranderd was toen ik bij Marjan en Kees op de koffie kwam en mijn jas niet meer over een stoel kon hangen.
Er was geen stoel meer die echt van hen was. Alles zag er nieuw uit, licht en praktisch. Brede doorgangen, geen drempels, een badkamer waar je met een rolstoel kennelijk makkelijk kon keren. Op het aanrecht stond een bos tulpen in een huurvaas, zo eentje die je bij de receptie kon regelen. Buiten keek je uit op een gezamenlijk binnenhofje met verhoogde bakken en keurige bankjes.
“Je zou hier ook prachtig kruiden kunnen zetten, Els,” zei Marjan. “Ze hebben zelfs een tuingroep.”
Ik knikte, omdat je nu eenmaal knikt als iemand iets aardigs bedoelt. Maar ik dacht alleen maar: mijn rozemarijn staat thuis tegen de warme muur. Die heeft de winter doorstaan toen iedereen zei dat het niet kon.
Marjan en Kees wonen sinds januari in zo’n kleinschalig woonhof aan de rand van Deventer. Geen verpleeghuis, dat benadrukken ze steeds. Zelfstandige appartementen, eigen voordeur, alarmering, een zorgteam in de buurt en beneden een gezamenlijke huiskamer waar je kunt eten als je geen zin hebt om te koken. Ze hebben hun hoekhuis verkocht voordat er überhaupt iets mis was. Kees is 66, Marjan 64. Ze zijn gezond genoeg om met de camper naar Frankrijk te rijden, maar ze wilden “vooruitkijken”.
Mijn man Rob vond het vanaf het eerste moment een geweldig plan.
Wij zijn 63 en 65, wonen in een vrijstaand huis in een dorp buiten Zutphen en zijn daar in 1994 ingetrokken. Het huis was toen een rommeltje. De tuin vooral. Er stond een halfvergane schuur, een coniferenhaag waar geen einde aan kwam en achterin lag een berg tegels onder bramen. Ik heb daar jaren aan gewerkt. Niet op een romantische manier, met een strohoedje en een glas wijn erbij, maar gewoon op zaterdagochtend met modder in mijn knieën en spierpijn in mijn onderrug.
Nu hebben we een moestuin, een kleine kas en een appelboom die eindelijk behoorlijk draagt. In juni ruikt het bij de achterdeur naar kamperfoelie. Ik weet dat het maar een huis en een tuin zijn. Maar het is ook de plek waar onze dochter leerde fietsen op het grindpad, waar mijn vader zijn laatste zomer nog elke middag in de schaduw zat, waar Rob en ik soms dagen nauwelijks iets bijzonders doen en toch niet eenzaam zijn.
Rob zegt dat ik alles te sentimenteel maak.
Dat doet pijn, juist omdat hij vroeger net zo aan dit huis hing. Hij heeft zelf die overkapping gebouwd. Hij heeft ooit drie weken vrij genomen om de dakgoten te vervangen. Maar sinds een paar jaar is hij anders gaan kijken. Zijn moeder is na een val pas na uren gevonden in haar woning. Uiteindelijk kwam ze in een verzorgingshuis terecht, tegen haar zin en veel te laat geregeld. Rob zegt niet vaak dat hij daar bang voor is, maar ik merk het aan hem. Als ik op een trapje sta om een raam te lappen, roept hij al van beneden dat ik normaal moet doen.
Bij Marjan en Kees werd het onderwerp die middag weer op tafel gelegd. Eerst voorzichtig. Daarna helemaal niet meer voorzichtig.
Kees tikte met zijn vinger op de folder van het woonhof. “Er komt in het najaar een appartement vrij, misschien twee. Jullie zouden hier echt goed passen. We kennen elkaar al zo lang. Dan heb je elkaar een beetje in de gaten.”
Rob zei meteen: “Dat zou toch ideaal zijn?”
Ik weet nog dat ik mijn koffiekopje vasthield en naar het randje keek. Ik wilde niet onaardig klinken. Marjan en Kees bedoelen het waarschijnlijk oprecht. We vieren al sinds 1988 oud en nieuw met hen. We zijn bij elkaars bruiloften geweest, bij begrafenissen van ouders, bij diploma-uitreikingen van kinderen die nu zelf tegen de veertig lopen. Je zegt niet zomaar dat je hun plan benauwend vindt.
Dus ik zei: “Wij zijn nog helemaal niet zover.”
Marjan lachte een beetje, niet gemeen, maar wel alsof ik had gezegd dat ik nooit oud zou worden. “Els, niemand voelt zich ooit zover. Daar gaat het juist om. Je moet het regelen voordat het nodig is.”
“Maar het is nu niet nodig,” zei ik.
Toen zei Kees: “Dat denk je. Tot Rob een hartinfarct krijgt of jij van die trap valt. Alleen wonen is gewoon een risico op onze leeftijd.”
Ik voelde meteen dat mijn gezicht warm werd. Niet omdat hij per se ongelijk had. Natuurlijk kan er iets gebeuren. Er kan morgen ook iets gebeuren als we in een appartement met een alarmknop wonen. Maar hij sprak over ons alsof wij al een probleem waren dat opgelost moest worden.
Rob zei in de auto terug bijna niets. Pas bij de rotonde, waar hij altijd veel te laat richting aangeeft, zei hij: “Ze hebben wel een punt.”
Ik keek naar buiten. “Dat ze een punt hebben, betekent niet dat wij moeten verhuizen.”
“Moeten? Els, niemand dwingt je.”
“Zo voelt het wel als iedereen doet alsof ik onverantwoordelijk ben omdat ik in mijn eigen huis wil blijven wonen.”
Hij zuchtte. “Ik noem je niet onverantwoordelijk. Ik probeer vooruit te denken.”
“Vooruitdenken is niet hetzelfde als ons hele leven alvast kleiner maken.”
Daarna hebben we een paar dagen om elkaar heen gelopen. Niet echt ruzie, eerder van die gesprekken die bij het afruimen ineens beginnen en dan vastlopen. Rob zei dat hij zich verantwoordelijk voelt als mij iets overkomt. Ik zei dat hij blijkbaar denkt dat ik niet meer voor mezelf kan zorgen. Hij zei dat ik woorden in zijn mond legde. Daar had hij ook gelijk in, denk ik.
Het vervelende is dat ik niet eens zeker weet of ik nooit zou willen verhuizen. Als het huis te groot wordt, als een van ons echt hulp nodig heeft, misschien. Ik ben niet blind voor de toekomst. Alleen wil ik niet verhuizen omdat Kees graag samen jeu de boules wil spelen op dinsdagmiddag, of omdat Marjan bang is dat we anders uit elkaar groeien.
Want daar zit volgens mij ook iets onder. Zij hebben hun sprong al gemaakt en willen niet dat wij achterblijven in het oude leven. Als wij hier blijven wonen, worden onze spontane etentjes ingewikkelder. De camperritjes misschien ook. Zij willen bevestiging dat ze de juiste keuze hebben gemaakt. En misschien gun ik hun die bevestiging niet genoeg. Dat is ook niet fraai van mij.
Vorige week stuurde Marjan een foto in onze WhatsApp-groep. Zij en Kees zaten met drie andere stellen aan een lange tafel in de gezamenlijke ruimte. Er waren borrelplanken, slingers, iemand speelde gitaar. Onder de foto schreef ze: “Hier zouden jullie zo bij passen.”
Rob zette er een duimpje onder. Ik heb niets gestuurd.
Vanmorgen heb ik wel de folder van dat woonhof uit de la gepakt. Niet omdat ik al om ben, maar omdat ik moe word van doen alsof het onderwerp niet bestaat. Er staat een open middag gepland in april. Rob wil gaan. Ik heb gezegd dat ik mee ga kijken, meer niet.
Daarna ben ik naar buiten gegaan om de dode bladeren uit de border te halen. De grond was nog koud en nat. Bij de appelboom zag ik dat er al kleine knoppen aan de takken zitten. Ik bleef daar langer staan dan nodig was, met mijn handschoenen aan en die folder nog binnen op tafel.