Na 32 jaar vriendschap zei mijn beste vriend dat ik ‘te krampachtig met geld’ omging

Ik wist dat er iets niet klopte toen ik op een dinsdagavond een foto zag van twee glazen champagne aan een zwembad.

Marjan liet haar telefoon aan mij zien terwijl we na het eten de vaatwasser inruimden. Op Facebook, van alle plekken. Ingrid had erbij gezet: “Even opladen samen. Na een pittige tijd verdienen we dit.” Daaronder stond een foto van haar en Kees in badjas, ergens op Curaçao of Bonaire, ik weet het niet eens meer. Een wit resort, palmbomen, zo’n blauwe lucht die bijna niet echt lijkt.

Ik zei eerst niets. Ik droogde een pan af die al droog was.

Marjan zei: “Ze hebben dus wél geld.”

Dat was drie weken geleden. Sindsdien komt die ene zin steeds terug, ook op momenten dat ik er niet aan wil denken.

Kees en ik kennen elkaar vanaf de technische dienst bij een fabriek in de buurt van Amersfoort. Begin jaren negentig. Hij deed onderhoud, ik zat toen nog in de planning. We waren niet van die mannen die elke week de kroeg in gingen, maar het klikte gewoon. Onze vrouwen konden ook goed met elkaar. Zomers kamperen in Frankrijk, later huisjes huren omdat niemand meer zin had in een luchtbed. Verjaardagen, kerstborrels, de bruiloft van onze oudste dochter, de crematie van Kees zijn moeder. Alles liep door elkaar heen.

We zaten ongeveer in dezelfde fase van ons leven. Rijtjeshuis, later allebei een vrijstaand huis aan de rand van een dorp. Geen overdreven rijke mensen, maar we hadden het goed. Kees en Ingrid hadden twee dochters, wij een dochter en een zoon. We praatten soms over geld, zoals mensen van onze leeftijd dat doen: wat je pensioen ongeveer wordt, of je zonnepanelen hebt, wat een nieuwe keuken kost. Maar nooit op een manier dat iemand zich kleiner hoefde te voelen.

Toen Kees op zijn 59e met een regeling eerder stopte bij zijn werkgever, vond ik dat ergens wel stoer. Hij had er lang gezeten en was het zat, zei hij. Hij wilde met een oud-collega een bedrijf beginnen in modulaire bergingen en kleine tuinkantoren. Dat was in coronatijd populair geworden en volgens hem bleef die markt groeien.

Ik had mijn twijfels. Niet omdat Kees dom is, integendeel. Maar hij kan heel enthousiast worden en dan is alles al een succes voordat de eerste factuur betaald is. Marjan zei ook nog: “Hij hoeft toch niet per se iets nieuws te bewijzen?”

Maar goed, je zegt dat niet te hard tegen een vriend die eindelijk weer vuur in zijn ogen heeft.

Het begon met kleine verhalen. Een leverancier die vooruitbetaald wilde worden. Een order die bijna rond was. Vergunningen die langer duurden. Zijn zakenpartner die tijdelijk minder kon inleggen omdat diens vrouw ziek was. Iedere keer was er een logische verklaring.

Op een zondagmiddag, we zaten bij hen in de serre, vroeg Kees of we hem 45.000 euro wilden lenen. Ik weet dat bedrag nog precies, alsof het op mijn voorhoofd staat geschreven.

Hij zei dat ze een grote opdracht hadden bij een vakantiepark in Overijssel. Als ze de materialen konden inkopen, zou er binnen vier maanden betaald worden. Hij wilde geen bank omdat dat volgens hem alleen maar tijd en extra kosten betekende. Hij keek me aan zoals hij vroeger deed als we iets moesten regelen op het werk: kom op, dit fixen we samen wel.

Ingrid zat ernaast en zei bijna niets. Marjan ook niet.

Wij hadden dat geld. Niet zomaar op onze betaalrekening, maar wel als spaargeld. De laatste jaren vóór mijn pensioen hadden we bewust weinig grote uitgaven gedaan. Het was deels bedoeld voor later, deels voor als een van de kinderen ooit hulp nodig zou hebben bij een woning. Dat hoefden we Kees niet uit te leggen. Hij wist hoe wij leefden.

We maakten een simpele leningsovereenkomst. Kees vond dat eerst ongemakkelijk, maar ik zei dat het juist goed was, voor iedereen. Er stond in dat hij na vier maanden zou terugbetalen, met een kleine rente. Die rente interesseerde me eigenlijk niet. Ik wilde vooral geen gedoe.

Na vier maanden kwam er geen geld. Daarna ook niet.

De opdracht bij het vakantiepark bleek kleiner te zijn geworden. Vervolgens was er gedoe met materiaal dat verkeerd geleverd was. Zijn compagnon stapte eruit. Kees zei dat hij bezig was met een nieuwe investeerder. Steeds als ik ernaar vroeg, voelde ik mezelf veranderen in iemand die ik niet wilde zijn. Iemand die aan tafel even wacht tot er een stil moment valt en dan begint over bedragen.

Het ergste is misschien wel dat we hen bleven zien. We gingen nog gewoon uit eten, zij het minder vaak. We dronken koffie bij elkaar. Kees kon dan een heel uur vertellen over zijn rug, de tuin of de kleinkinderen, zonder zelf over die lening te beginnen. Ik liet het vaak ook liggen, omdat ik geen zin had om de avond kapot te maken.

Marjan vond dat ik te zacht was. Dat zei ze niet meteen, want zij wilde ook niet tussen mij en mijn vriend komen. Maar vorig jaar, toen we onze badkamer moesten laten doen en ik zei dat we misschien beter nog even konden wachten, barstte ze in tranen uit.

“Waarom wachten wij op onze eigen plannen?” zei ze. “Omdat Kees het moeilijk heeft? Wij zijn toch niet zijn bank?”

Daar had ze gelijk in. Alleen voelde gelijk hebben niet prettig.

In november hebben we Kees en Ingrid uitgenodigd om er rustig over te praten. Geen borrel, geen etentje, gewoon koffie op zondagmiddag. Ik had van tevoren alles opgeschreven: wat er nog openstond, wat er al was afgelost. Dat bleek 7.500 euro te zijn, in kleine bedragen. Er stond dus nog 37.500 euro open.

Kees keek naar het papier alsof hij het voor het eerst zag, terwijl hij zelf elke overschrijving had gedaan.

Hij zei dat het bedrijf feitelijk voorbij was. Er waren nog schulden bij leveranciers. Hij had een deel van zijn pensioenpot gebruikt. Hun hypotheek was hoger geworden door een overbruggingskrediet waar ik niets van wist. Ingrid begon te huilen en zei dat ze ’s nachts wakker lag van de brieven.

Ik voelde oprecht medelijden. Dat maakt het zo ingewikkeld. Dit zijn geen mensen die elke maand een nieuwe auto kopen of met designkleding rondlopen. Kees schaamt zich, dat zie ik ook. Hij is stiller geworden. Soms lijkt hij ineens tien jaar ouder.

Maar toen ik vroeg wat zij dan concreet konden betalen, zei hij: “Misschien vijfhonderd per maand, maar zelfs dat moeten we bekijken.”

Marjan vroeg waarom ze dan die reis hadden geboekt. Ze probeerde het rustig te vragen, echt. Ingrid werd meteen rood.

“Dat is met geld van mijn zus,” zei ze. “Die vond dat we eruit moesten. Voor onze mentale druk.”

Kees zuchtte en zei toen: “Jullie gaan wel heel krampachtig met dit soort dingen om. Alsof wij daar lekker zitten te genieten van jullie geld.”

Ik weet nog dat ik mijn handen onder tafel in elkaar kneep. Niet omdat ik wilde slaan of schreeuwen. Ik wilde vooral voorkomen dat ik iets zei wat niet meer terug kon.

Maar ik zei toch: “Het ís ons geld, Kees.”

Hij keek weg. Ingrid pakte haar tas, hoewel ze nog niet weggingen. De koffie werd koud op tafel.

Sinds die middag hebben we alleen een paar zakelijke appjes gehad. Kees heeft aangeboden om vanaf april driehonderd euro per maand over te maken. Daar doe je ruim tien jaar over, als alles goed blijft gaan. Ik geloof niet dat hij het als belediging bedoelde, dat woord krampachtig. Misschien verdedigde hij zich omdat hij geen andere kant op kon. Toch blijft het in mijn hoofd hangen.

Marjan wil naar een jurist. Niet om hun huis af te pakken of iets dergelijks, maar om duidelijkheid te krijgen en de afspraak officieel vast te leggen. Ik snap haar. Onze zoon zegt dat we gek zijn als we dit blijven laten lopen. Onze dochter vindt vooral dat we niet nog meer slaap moeten verliezen.

Vanmorgen zag ik dat Kees thuis is van vakantie. Hij heeft in de groepsapp een foto gestuurd van een schelp die zijn kleindochter mooi zou vinden. Niemand heeft gereageerd. Ik ook niet.

De leningsovereenkomst ligt nu in de la van het dressoir, onder de garantiebewijzen en oude belastingpapieren. Morgen wil Marjan een kantoor bellen. Ik heb nog niet gezegd dat ze dat moet doen. Ik heb ook niet gezegd dat ze het niet moet doen.

Vanavond eten we stamppot andijvie. Daarna ga ik waarschijnlijk toch weer even kijken of Kees iets heeft gestuurd.