Na veertig jaar vriendschap zegden onze beste vrienden de vakantie af omdat wij hun investering niet konden loslaten
De lege plek in onze agenda voor september staat er nog steeds. Twee weken Sauerland, huisje aan een stuwmeer, zoals we de laatste acht jaar deden met Henk en Marijke. Els had de wandelroutes al uitgeprint. Ik had, heel burgerlijk, de koelbox uit de berging gehaald om te kijken of het handvat nog heel was.
Toen kwam er een WhatsApp van Marijke. Geen belletje, wat ik ergens nog steeds jammer vind.
Ze schreef dat het haar beter leek als zij en Henk dit jaar niet meegingen. “De sfeer is de laatste tijd gewoon te geladen. We willen geen vakantie waarin we telkens op eieren lopen.”
Ik heb dat bericht drie keer gelezen. Daarna heb ik mijn telefoon op tafel gelegd en ben ik koffie gaan zetten, terwijl de koffie van de ochtend nog in de kan zat. Els zei niets. Ze zag aan mij blijkbaar genoeg.
We kennen hen sinds 1983. Henk werkte toen bij de gemeente, ik bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Onze kinderen zaten nog op de basisschool. We hebben verjaardagen, begrafenissen, een echtscheiding van hun oudste dochter en de ziekte van mijn vader met elkaar meegemaakt. Niet dat we elke dag bij elkaar over de vloer kwamen. Juist niet. We hadden allebei ons eigen leven. Maar als er wat was, belde je.
Henk en ik waren nooit grote praters over gevoelens. We repareerden samen een schutting, haalden een aanhanger op of gingen vissen, en ergens tussen de thermoskan koffie en het opruimen kwam dan terloops ter sprake wat er echt speelde.
Misschien heb ik daarom zo laat doorgehad hoe diep dit zat.
In maart vertelde Henk na het kaarten dat hij en Marijke geld hadden ingelegd in een project aan de rand van ons dorp. Op het terrein van de oude steenfabriek zou een grote mestvergister komen, met opslag, vrachtverkeer en volgens de plannen ook een installatie voor groen gas. Een paar lokale ondernemers zochten particuliere investeerders. Henk zei het bijna opgewekt: goed rendement, banen voor mensen uit de buurt, en eindelijk iets met die rommelige grond doen.
Ik wist dat er plannen waren, maar niet dat zij er zo veel geld in zouden steken. Els en ik zitten in de buurtgroep die bezwaar heeft gemaakt. Niet omdat we tegen elke verandering zijn. Dat wordt ons vaak toegedicht, dat we alleen maar ons uitzicht willen houden. Maar die weg is nu al smal en gevaarlijk voor fietsers. Er ligt een stiltegebied achter het terrein. En uit de stukken die we hadden gelezen, bleek dat er dagelijks tientallen vrachtwagens zouden komen met mest uit een veel groter gebied dan alleen onze gemeente.
Els keek Henk aan en vroeg: “Maar Henk, wil jij daar dan echt aan verdienen?”
Dat was misschien te direct. Ik zag hem meteen dichtklappen.
Hij zei: “Wij verdienen ook aan jullie pensioenfonds, neem ik aan. Daar heb je ook niet overal invloed op.”
Daar had hij niet helemaal ongelijk in. Ik voelde dat ook. Alleen ging het mij niet om brandschoon willen zijn. Het ging om iets waar je bewust je handtekening onder zet, op vijf minuten fietsen van je huis. Iets waarvan je weet dat veel mensen in het dorp er last van krijgen.
Marijke zei dat ze het juist bewonderenswaardig vond dat ondernemers nog iets durfden. Zij had vroeger een bloemenwinkel en weet hoe makkelijk mensen over ‘de lokale economie’ praten zolang ze zelf geen risico lopen. Dat snap ik ook. Henk heeft na zijn pensioen geen zeeën van geld, ondanks wat mensen denken als je een vrijstaand huis hebt dat je in 1988 hebt gekocht. Hun spaargeld stond al jaren bijna niets te doen. Dit project beloofde een behoorlijk rendement.
Toch bleef het bij Els en mij knagen. We hebben er nog twee keer over begonnen. De eerste keer bij hen thuis, met een schaal blokjes kaas op tafel die niemand aanraakte. De tweede keer tijdens een wandeling langs de Eem.
Ik zei toen dat ik niet wilde bepalen wat zij met hun geld deden. Dat meen ik. Maar ik zei ook dat het voor mij moeilijk was om op zaterdag met Henk aan de bezwaarschriften te werken, wetend dat hij financieel belang had bij precies het tegenovergestelde.
Hij werd boos, voor zijn doen. Niet schreeuwen, maar dat vlakke praten van hem.
“Dus als ik niet doe wat jij moreel verantwoord vindt, kan ik geen vriend van je meer zijn?”
Ik antwoordde te snel: “Ik weet niet of ik jou nog herken hierin.”
Dat had ik niet zo moeten zeggen. Of misschien was het juist eerlijk, maar eerlijkheid is niet altijd hetzelfde als goed doen. Hij keek naar het water en zei een tijdje niets. Marijke liep een stuk achter ons met Els. Ik hoorde hen niet.
Thuis zei Els dat ik hem in een hoek had gezet. Ik zei dat zij ons ook in een hoek zetten door te doen alsof het alleen om rendement ging. We kregen ruzie, wat zelden gebeurt. Els vindt nog steeds dat die vergister er niet moet komen. Maar zij kan beter verdragen dat mensen anders kiezen dan ik. Of ze laat het minder merken.
Na het WhatsApp-bericht van Marijke heb ik Henk gebeld. Hij nam niet op. Later stuurde hij: “Ik denk dat afstand nu beter is.” Geen boze woorden, geen verwijten. Dat maakt het bijna erger.
De vakantie hebben we geannuleerd. De verhuurder hield honderd euro in, wat ik onredelijk vond, maar ik had geen energie om erachteraan te gaan. Els wil nu misschien met onze kleindochter een paar dagen naar Texel. Ik vind alles prima, zeg ik dan, en dat is niet waar.
Vorige week zag ik Henk bij de Plus. Hij stond bij het koffiepad en ik bij de diepvries, met een zak doperwten in mijn hand. We knikten naar elkaar. Hij zag er ouder uit dan ik me hem herinnerde. Waarschijnlijk zag ik er voor hem net zo uit.
De vergister is overigens nog niet rond. De vergunning ligt nog ter inzage en er zijn veel zienswijzen binnengekomen. Soms denk ik: als het project niet doorgaat, kunnen we misschien weer gewoon koffie drinken alsof dit een lange, vervelende ruzie was.
Maar dat is ook laf gedacht. Want dan hoeven we niet uit te zoeken wat er van ons overblijft als het project wél doorgaat.