Mijn beste vriend ziet mijn hulp als vriendschap, maar ik begin me zijn onbetaalde werknemer te voelen
Ik wist pas dat het mis begon te zitten toen Berend vroeg of ik in de eerste week van juni beschikbaar was.
Ik stond bij de koelkast met een pak melk in mijn hand. Saskia zat aan tafel met haar laptop open. We hadden eindelijk iets geboekt: een weekje naar een huisje bij Domburg. Niet chic, gewoon wandelen, vis halen in Vlissingen, misschien een keer op een terras zitten als het niet waait. We hadden het al twee keer uitgesteld omdat ik niet goed genoeg in mijn vel zat.
Berend belde op een dinsdagavond.
“Die eerste week van juni, hè. Dan moet de jaarafsluiting echt gebeuren. Anders loopt het met de btw en die cijfers allemaal door elkaar. Jij bent daar toch handig mee.”
Hij zei het alsof hij me vroeg of ik zaterdag even kwam koffie drinken.
Ik zei niet meteen dat we weg zouden gaan. Dat is misschien laf. Ik zei: “Ik moet even kijken.”
Berend en ik kennen elkaar sinds de brugklas, 1974. Hij was die lange jongen met een te korte spijkerbroek, ik was vooral klein en snel boos. We hebben samen gevoetbald, in dezelfde fabriek gewerkt toen die nog draaide, elkaars verhuizingen gedaan en later elkaars kinderen naar huis gebracht als er weer eens eentje te veel had gedronken. Toen mijn eerste huwelijk op de klippen liep, sliep ik drie nachten op zijn bank. Geen vragen, alleen een extra deken en ’s ochtends koffie.
Je gaat iemand als Berend niet zitten afrekenen op uren. Zo heb ik dat altijd gevoeld.
Vorig jaar ging hij met pensioen bij de gemeente. Hij had al jaren oude kastjes en stoelen opgeknapt, eerst in een schuurtje achter zijn rijtjeshuis. Na zijn pensioen huurde hij een grote garage op een bedrijventerrein in Hoorn. Hij had er werkbanken, klemmen, een oude radio die altijd op Radio 2 stond en planken vol potjes beits. Hij kon helemaal oplichten van een eikenhouten tafel waarvan hij wist uit welk decennium die kwam.
Rond die tijd zat ik thuis met een burn-out. Officieel was ik gedeeltelijk ziekgemeld bij het transportbedrijf waar ik de administratie deed. In werkelijkheid deed ik bijna niets. Ik sliep slecht, kon me niet concentreren, en thuis voelde alles als een verwijt, ook als Saskia niks zei. De vaat die er nog stond. De brieven op de mat. Mijn eigen jas over een stoel.
Bij Berend in die garage was het stil op een goede manier. Ik schuurde soms een poot van een stoel of zette koffie. Hij vroeg mij op een dag of ik even naar een factuur wilde kijken.
“Jij snapt dat gedoe toch beter dan ik.”
Dat was waar. Ik maakte een mapje op zijn computer. Daarna een overzicht van klanten. Vervolgens zei ik dat hij zijn bonnetjes niet los in een koekblik moest gooien, want daar werd ik nerveus van. Hij lachte en zei dat ik hem redde.
In het begin ging ik er twee ochtenden per week heen. Het gaf me ritme, zei mijn praktijkondersteuner ook. Alleen werd het al snel meer. Berend zette mijn naam op een lijstje naast de telefoon: administratie Henk. Hij deed dat volgens mij zonder erbij na te denken.
Er kwamen steeds meer opdrachten. Een hotel in Enkhuizen dat twaalf stoelen wilde laten herstellen. Iemand met een antieke vitrinekast die per se vóór Kerst klaar moest. Berend was goed, daar ligt het niet aan. Hij maakt echt mooie dingen. Maar hij neemt ook alles aan omdat hij niemand wil teleurstellen.
En ik ving het dan op.
Ik maakte offertes, hield betalingen bij, belde klanten terug die vonden dat een restauratie “wel erg duur” was. Ik plande zijn weken in, bestelde materiaal en zat soms ’s avonds thuis nog facturen te versturen. Mijn eigen werk probeerde ik ondertussen langzaam weer op te bouwen, maar ik merkte dat mijn hoofd na een dag voor Berend juist helemaal vol zat.
Saskia zei er al eerder iets van. Niet op een nare manier. Ze vroeg bijvoorbeeld op zondag: “Moet jij morgen naar Berend of wil jij naar Berend?”
Dat verschil maakte me kwaad, terwijl ik wist dat ze gelijk had.
“Hij heeft me juist geholpen toen ik thuis zat,” zei ik dan.
“Ja,” zei zij. “Maar hij is niet jouw werkgever. En als hij dat wel is, dan moet hij zich ernaar gedragen.”
Ik vond dat een kille opmerking. Berend was geen werkgever. Hij was Berend. Hij had me in een moeilijke tijd uit huis gekregen. Hij luisterde als ik zat te mopperen over mijn zoon die nauwelijks belde. Hij zette zonder vragen een krentenbol voor me neer als ik er bleek uitzag.
Maar hij vroeg ook elke maandag: “Wat staat er deze week op de planning?” En als ik zei dat ik een afspraak had met de bedrijfsarts of gewoon een middag wilde fietsen, keek hij teleurgesteld. Niet boos. Dat was bijna erger.
“Die mevrouw Van Loon wacht al drie dagen op antwoord,” zei hij dan. “Maar goed, jij moet doen wat jij moet doen.”
En dan ging ik toch achter de computer zitten.
Vorige maand had ik geprobeerd het voorzichtig aan te kaarten. We stonden naast zijn werkbank. Hij was bezig met een ladekast waarvan één poot scheef stond.
Ik zei dat het wel veel werd, dat regelwerk.
Hij keek me aan alsof ik zei dat zijn garage verkocht moest worden. “Maar jij vindt dit toch juist fijn? Beetje structuur. Ik dacht echt dat het je goeddeed.”
Dat deed pijn, omdat er iets van waarheid in zat. Ik had het ook fijn gevonden. Of tenminste: ik had nodig gehad dat iemand ergens op me rekende. Maar dat betekent niet dat je onbeperkt beschikbaar bent. Dat probeer ik mezelf nu wijs te maken, al voelt het nog steeds ondankbaar.
Toen ik na dat telefoontje over juni tegen Saskia zei dat Berend de jaarafsluiting in onze vakantie verwachtte, klapte ze haar laptop dicht.
“Je gaat toch niet?”
Ik zei dat de cijfers wel af moesten. Berend kon dat niet alleen. Hij moest misschien een boekhouder nemen, maar die kost geld, en zijn bedrijf is nog maar net begonnen.
Saskia keek naar het aanrecht, niet naar mij. “Henk, hij verkoopt meubels. Hij vraagt geld voor zijn werk. Waarom is jouw werk dan een soort vriendendienst zonder einde?”
Daar had ik geen antwoord op.
De volgende ochtend stuurde ik Berend een bericht. Ik heb er zeker twintig minuten over gedaan. Uiteindelijk schreef ik dat wij die week weg zijn en dat ik de administratie voortaan wil beperken tot één vaste ochtend. Ook schreef ik dat we moeten praten over een vergoeding als hij wil dat ik meer blijf doen.
Ik zette mijn telefoon op stil en ging wandelen. Bij de dijk waaide het zo hard dat mijn ogen traanden. Dat kwam goed uit.
Pas thuis durfde ik te kijken. Berend had maar één bericht gestuurd.
“Oké. Had ik niet zien aankomen. Bel je later wel.”
Dat is nu vier dagen geleden. Hij heeft niet gebeld. Ik ben gisteren wel naar de garage gegaan om een map met inkoopfacturen af te geven die nog bij mij lag. De deur stond open, maar Berend was achterin bezig met schuren. Hij hoorde me binnenkomen en stak even zijn hand op. We praatten over het weer, over een klant die zijn kast toch niet kwam ophalen. Niks over mijn bericht.
Toen ik wegging zei hij: “Veel plezier in Zeeland dan.”
Ik zei dank je. Meer niet.
Thuis heb ik de reserveringsbevestiging uitgeprint, omdat Saskia dat prettig vindt. Hij ligt nu op tafel tussen de reclamefolders. Ik ga mee naar Domburg. Dat heb ik besloten.
Alleen weet ik nog niet of ik na die week op maandag naar mijn eigen werk rijd, of naar Berends garage.