Toen onze vriendschap langzaam veranderde in zorg waar niemand om had gevraagd

Ik heb Henk afgelopen dinsdag voor het eerst niet meteen teruggebeld.

Zijn naam stond op mijn scherm terwijl Els en ik aan de keukentafel zaten met een boterham oude kaas. Het was half negen ’s avonds. We hadden die middag eindelijk weer eens gefietst, richting de Loosdrechtse Plassen, veel te ver voor Els haar nieuwe knie eigenlijk. We waren moe op een fijne manier. De telefoon ging over, stopte, en begon na twee minuten opnieuw.

Els keek ernaar en zei niks. Dat vond ik misschien nog het ergst.

Henk en Marijke wonen schuin tegenover ons, in dezelfde rijtjeshuizen waar we eind jaren tachtig tegelijk zijn komen wonen. Onze kinderen speelden vroeger in dezelfde zandbak achter het huis. We gingen jarenlang met z’n vieren kamperen in Frankrijk, eerst met een vouwwagen, later met een stacaravan die we deelden op een camping in de Ardèche. Toen mijn moeder overleed, zat Marijke drie avonden bij Els in de keuken omdat ik zelf maar bleef regelen en bellen. Zo waren we gewoon met elkaar.

Marijke was altijd degene die overal aan dacht. Verjaardagen, ziekenhuisbezoek, wie er net gescheiden was en eigenlijk niet alleen thuis moest zitten. Ze kon zich ook overal mee bemoeien, hoor. Als ik de voortuin snoeide, stond ze binnen vijf minuten met koffie en commentaar op mijn rozenstruik.

Drie, misschien vier jaar geleden begon het met kleine dingen. Ze vergat waarom ze bij de supermarkt was. Ze belde Els omdat ze niet meer wist welke dag de prik van de griepvaccinatie was, terwijl die al twee weken eerder geweest was. Henk deed het eerst af als verstrooidheid. Dat vonden wij eigenlijk ook nog wel logisch. We zijn allemaal geen veertig meer.

Maar het werd anders.

Marijke raakte op een ochtend de weg kwijt op weg naar de huisarts, een route die ze zeker dertig jaar had gefietst. Een andere keer had ze een pan op het vuur laten staan. Niet omdat ze onvoorzichtig is, maar omdat ze naar boven liep om een vest te zoeken en daar blijkbaar helemaal in verdween.

De huisarts heeft uiteindelijk onderzoek laten doen. De precieze woorden weet ik niet eens meer, iets over een vorm van dementie en dat het proces bij iedereen anders gaat. Henk kwam daarna bij ons zitten met twee flesjes bier op tafel, midden op de middag. Hij zei: “Ik ga haar niet wegstoppen. Dat gebeurt niet.”

Niemand had gezegd dat dat moest. Els zei ook nog: “Natuurlijk niet, Henk. Maar je hoeft het niet alleen te doen.”

Daar wilde hij niets van weten. Geen casemanager die langskwam, geen thuiszorg, geen dagbesteding. Hij had ooit bij zijn eigen moeder gezien hoe er steeds wisselende mensen over de vloer kwamen en hoe zij daar boos en bang van werd. Dat beeld zat bij hem vast. Ik snap dat ergens wel. Alleen: hij maakt nu van iedere hulpverlener dezelfde persoon als toen.

In het begin brachten we af en toe boodschappen mee. Daarna vroeg Henk of ik Marijke een uurtje gezelschap kon houden als hij naar de tandarts moest. Els ging een paar keer met haar mee naar de kapper, omdat Marijke daar ineens paniekerig van werd. Het was allemaal te doen. Je helpt je vrienden. Daar ga je niet over zitten boekhouden.

Alleen begon het zich op te stapelen zonder dat we het echt doorhadden.

Henk belde soms al om half acht. Of ik even brood wilde halen, want Marijke had zijn portemonnee ergens neergelegd. Els kreeg appjes met foto’s van pillendoosjes: welke was nou voor de avond? Als Henk naar de fysiotherapeut moest, vroeg hij of wij er konden zijn. Hij noemde het steeds “een klein dingetje”. Maar die kleine dingen werden onze dinsdagmiddagen, donderdagavonden en zaterdagochtenden.

Onze dochter woont in Zwolle en heeft twee kinderen. Toen zij vroeg of wij een weekend konden komen helpen omdat haar jongste waterpokken had en zij zelf een paar nachtdiensten moest draaien, zei Els dat we het even moesten bekijken. Niet omdat we niet wilden. Omdat we al hadden toegezegd op Marijke.

Ik zag Els daarna in de slaapkamer zitten met haar jas nog aan. Ze huilde niet eens. Ze zat gewoon voor zich uit te kijken.

“Dit klopt toch niet meer, Kees?” zei ze.

Ik zei iets flauws over dat Henk het ook zwaar heeft. Dat is waar, maar ik gebruikte het toen vooral om niets te hoeven veranderen.

Vorige zondag kwam Henk bij ons langs. Hij was ongeschoren, droeg een trainingsbroek en rook een beetje muf, wat helemaal niets voor hem is. Marijke lag thuis op de bank te slapen, zei hij. Hij begon over dat hij kapot was. Dat geloofde ik direct. Hij zei dat hij één nacht had gehad waarin zij vier keer wakker werd en naar beneden wilde omdat ze dacht dat haar vader haar kwam ophalen.

Toen vroeg hij of Els en ik misschien de weekenden konden doen. Niet ieder weekend per se, zei hij snel, maar bijvoorbeeld zaterdagmiddag tot zondagochtend. Dan kon hij bijslapen. “Jullie zijn toch vaak thuis,” zei hij erachteraan.

Dat zinnetje bleef bij mij hangen.

Els zei: “Henk, dit kunnen we niet.”

Hij keek haar aan alsof ze iets heel vreemds zei.

Ze legde uit dat wij ook onze afspraken hebben, dat zij haar knie nog moet ontzien, dat we soms gewoon een dag niets willen. Ik zat ernaast en voelde me een verrader, terwijl zij de dingen zei die ik zelf al maanden dacht.

Henk werd niet boos. Dat was bijna moeilijker. Hij knikte alleen en zei: “Nee, snap ik. Ik dacht het te kunnen vragen.” Daarna stond hij vrij snel op.

Bij de voordeur zei hij nog: “Maar als jullie het niet doen, wie dan wel?”

Daar had ik geen antwoord op.

Die avond heb ik hem toch gebeld. Ik heb gezegd dat we hem niet laten vallen, maar dat het zo niet verder kan. Dat we best één vaste middag per week kunnen afspreken, als het ons uitkomt, en dat we willen helpen om opnieuw met de huisarts te praten. Misschien met iemand van de praktijkondersteuning ouderenzorg, of een casemanager dementie. Ik wist niet precies wie waarvoor komt, maar ik wist wel dat dit groter is dan vier mensen in twee huizen.

Henk zei eerst dat hij erover zou nadenken. Daarna zei hij dat Marijke vreemden niet wil. Ik zei dat ik dat begrijp, maar dat Marijke misschien ook niet wil dat hij eraan onderdoor gaat. Daar had ik eigenlijk geen recht van spreken over. Toch floepte het eruit.

Sindsdien is het stiller aan de overkant. Marijke zwaait soms door het raam, maar ze weet niet altijd meer of ik Kees ben of haar zwager. Henk groet kort. Gisteren zag ik hem met twee zware boodschappentassen lopen en ik ben alsnog naar buiten gegaan om er één over te nemen.

Ik weet dus niet hoe consequent ik zelf ben.

Vrijdag hebben Els en ik een afspraak bij de huisartspraktijk, niet voor Marijke, maar om te vragen waar Henk terechtkan en wat wij wel of niet mogen regelen zonder over hem heen te walsen. Daarna gaan we naar Zwolle. Gewoon, als opa en oma. Els heeft al een doos rozijnen en kleurpotloden gekocht.

Mijn telefoon ligt nu ’s avonds weer op tafel. Niet meer naast mijn bord. Dat is voorlopig het enige wat we veranderd hebben.