Na mijn pensioen werd onze vriendengroep steeds groter, maar mijn eigen leven steeds kleiner
De agenda op onze keukentafel ligt tegenwoordig voller dan toen ik nog werkte.
Dat klinkt misschien ondankbaar. Ik weet heel goed dat veel mensen van onze leeftijd juist blij zouden zijn met zoveel aanloop, appjes en plannen. Zeker nu je om je heen steeds vaker hoort dat iemand ziek is, slecht ter been wordt of ineens alleen komt te staan. Maar soms kijk ik naar al die afspraken, geschreven in het handschrift van mijn man Kees, en krijg ik letterlijk een benauwd gevoel.
Woensdag wandelen met de club. Vrijdag borrelen bij Hans en Marijke. Zondag een verjaardag van iemand die ik best aardig vind, maar eigenlijk alleen ken omdat hij de zwager van Ria is. En dan de week erna weer een etentje, want anders is het zo lang geleden dat we elkaar allemaal zagen.
Kees en ik zijn allebei 67. Hij werkte tot zijn pensioen bij de gemeente in Utrecht, op de afdeling vergunningen. Ik was parttime doktersassistente in Nieuwegein. Toen we stopten met werken, bijna vijf jaar geleden, waren we bang voor dat bekende zwarte gat. Onze kinderen wonen niet om de hoek: onze dochter in Zwolle, onze zoon met zijn gezin in Amersfoort. Ze komen regelmatig, maar ze hebben hun eigen levens. Dat hoort ook zo.
Onze vriendengroep is toen eigenlijk onze week gaan indelen. Het begon heel gezellig. Met zes stellen gingen we wandelen in de omgeving, eerst op zondagen. Later kwamen daar fietstochtjes bij, lunches, museumbezoek, jeu de boules in de zomer en een vaste nieuwjaarsborrel. Niemand had ooit gezegd dat je erbij móést zijn. Maar doordat bijna iedereen altijd ging, werd afzeggen toch iets waar je uitleg bij gaf.
‘Jammer, alles goed?’ kreeg je dan.
Of: ‘Dan zien we jullie zeker volgende week weer.’
Dat is vriendelijk bedoeld, ik weet dat. Alleen voelt het voor mij de laatste tijd alsof er geen lege plek meer overblijft.
Ik ben vorig jaar begonnen met keramiek. Gewoon bij een atelier hier in de buurt, op donderdagmiddag. Ik had nog nooit iets met klei gedaan. De eerste kom die ik maakte was scheef, veel te dik aan één kant, en het glazuur werd een soort vlekkerig groen. Maar ik vond het heerlijk. Twee uur lang hoefde ik niet gezellig te doen, niet bij te praten, niet te bedenken of ik nog koffie moest inschenken. Ik kon met mijn handen bezig zijn en af en toe alleen de draaischijven horen.
Kees snapte dat eerst wel. Hij zette mijn eerste mislukte schaal zelfs pontificaal op de eettafel, terwijl ik hem het liefst achter in een kast had verstopt.
Maar toen ik op een donderdag zei dat ik niet mee wilde naar het maandelijkse diner van de groep, omdat ik thuis mijn werkstukken wilde afwerken, veranderde zijn gezicht.
‘Maar we hadden al toegezegd bij Paul en Lien,’ zei hij.
‘Jij kunt toch gewoon gaan?’
Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld om onze trouwdag over te slaan.
‘Alleen? Dat is toch raar?’
Ik zei nog dat het helemaal niet raar was. Bij ons in de groep gaan mensen ook weleens alleen ergens heen. Maar Kees bleef herhalen dat het anders overkwam als ík thuisbleef. Alsof er iets aan de hand was tussen ons. Of alsof ik Lien niet mocht.
Dat laatste was niet eens helemaal onwaar. Lien is geen slecht mens, maar ze kan van een gewone vraag een verhoor maken. Hoe gaat het met je knieën, hoe vaak zie je de kleinkinderen, waarom ga je niet mee naar het koor, heb je die nieuwe buren al eens uitgenodigd? Ze bedoelt het volgens mij oprecht geïnteresseerd. Ik heb er alleen niet altijd zin in om mijn leven aan tafel uit te stallen.
Die avond ben ik toch meegegaan. Ik heb de hele avond gedaan alsof ik me vermaakte. Kees was ontspannen, hij lachte hard om Pauls verhalen over zijn caravan. Op de terugweg zei hij: ‘Zie je wel, het was toch gewoon gezellig?’
En ik zei: ‘Ja, prima.’
Dat was laf. Maar ik had geen energie meer om uit te leggen dat iets prima kan zijn en toch te veel.
Sindsdien is het vaker misgegaan in kleine stukjes. Als ik zei dat ik een weekend niets wilde plannen, vond Kees dat overdreven. Als hij zei dat Bert en Anja nog kaarten hadden voor een voorstelling, voelde ik meteen irritatie voordat ik überhaupt wist welke voorstelling het was.
Op een zaterdagmorgen zat ik in mijn badjas aan tafel, met klei onder mijn nagels van de dag ervoor. Kees kwam binnen met zijn telefoon in zijn hand. De appgroep was weer bezig.
De jaarlijkse vakantie moest geboekt worden. Dit jaar zou het naar de Eifel gaan. Een groot vakantiehuis, twaalf slaapkamers, gezamenlijk koken in ploegjes, wandelen en één avond barbecueën als het weer meezat. We zijn de laatste vier jaar mee geweest. De eerste keer vond ik het werkelijk leuk. De laatste keer lag ik op de derde ochtend wakker in een vreemde kamer en hoopte ik dat het zou regenen, gewoon omdat er dan misschien niemand om half negen zou roepen dat we met z’n allen een rondje gingen lopen.
‘Ik heb gezegd dat we voor eind van de week moeten laten weten,’ zei Kees.
Ik weet niet waarom, maar toen was het klaar bij mij.
Ik zei: ‘Ik ga niet mee dit jaar.’
Hij ging zitten. Niet boos meteen. Vooral stil.
‘Niet mee?’
‘Nee.’
‘Maar iedereen rekent op ons.’
Dat woord, ons, maakte me ineens woedend. Niet omdat Kees het slecht bedoelde, maar omdat ik me al zo lang onderdeel voelde van een pakketje dat hij zonder overleg overal mee naartoe nam.
‘Iedereen rekent op jou en mij omdat wij altijd ja zeggen,’ zei ik. ‘Maar ik wil een week thuis zijn. Of misschien met de trein een paar dagen naar Groningen, alleen. Ik weet het nog niet. Ik wil vooral niet in een huis zitten met elf andere mensen en een corveerooster op de koelkast.’
Kees werd rood in zijn gezicht. Hij zei dat ik het groter maakte dan nodig was. Dat je vriendschappen moet onderhouden. Dat mensen op onze leeftijd niet vanzelf nieuwe vrienden krijgen als een groep uit elkaar valt.
Daar had hij ergens gelijk in. Kees heeft zijn broer verloren toen hij 52 was. Zijn ouders zijn er al jaren niet meer. Hij belt bijna elke dag met iemand uit de groep. Voor hem is het niet zomaar gezelligheid. Het is houvast. Misschien ook bewijs dat hij nog meetelt.
Maar ik zei: ‘En ik dan? Moet ik mezelf maar kwijt raken zodat iedereen gerustgesteld blijft?’
Daar had hij geen antwoord op. Of misschien wilde hij dat niet geven.
Hij is uiteindelijk die avond alleen naar Hans en Marijke gegaan. Ik bleef thuis en heb een ovenprogramma voor mijn keramiek opgezocht, wat belachelijk veel instellingen bleek te hebben. Rond tien uur stuurde Kees een appje: Ben later, ze vragen naar je.
Ik heb de hele tijd naar dat bericht gekeken. Niet omdat ik wilde weten wie wat vroeg, maar omdat ik me schuldig voelde. Alsof ik ziek had moeten zijn om een geldige reden te hebben.
De volgende ochtend zei Kees dat hij eventueel alleen naar de Eifel kon gaan. Hij zei het op een toon alsof hij mij daarmee tegemoetkwam, maar ik hoorde ook teleurstelling. Misschien zelfs verwijt. Ik zei dat hij dat zelf moest beslissen. Daar werd hij weer kwaad om, omdat hij vond dat ik hem met de gevolgen liet zitten.
Misschien doe ik dat ook.
De boeking moet vrijdag rond zijn. Kees praat er nauwelijks over, maar ik zie hem steeds op zijn telefoon kijken. Gisteravond zette hij twee koffiekopjes in de vaatwasser terwijl ik al in bed lag. Normaal laat hij ze gewoon staan. Dat soort kleine dingen merk je na 41 jaar samen.
Vanmiddag ga ik naar het atelier. Ik heb een vaas gemaakt die tot nu toe verrassend goed gelukt is. Hij is niet perfect rond, maar dat hoeft ook niet van mij. Daarna haal ik bij de Albert Heijn iets makkelijks voor vanavond.
Misschien zit Kees dan aan tafel en zegt hij dat hij toch meegaat. Misschien zegt hij dat hij heeft afgezegd. Ik weet alleen dat ik deze keer niet alsnog ga zeggen dat het wel meevalt, alleen om de sfeer te redden.