Na 32 jaar vaste etentjes dreigt onze vriendengroep te breken om wat er op tafel staat
Ik heb de appgroep sinds vorige week op stil staan. Dat klinkt misschien kinderachtig, op mijn leeftijd, maar iedere keer als ik dat groene rondje met veertien ongelezen berichten zag, kreeg ik een knoop in mijn maag.
Wij zijn met z’n zessen: mijn man Peter en ik, Bas en Irene, en Henk met zijn vrouw Marjan. We kennen elkaar al sinds onze kinderen op de basisschool zaten. Inmiddels zijn er kleinkinderen, een paar scheidingen in de familie, een pensioen dat ineens dichterbij kwam dan je wilde, en zelfs een prostaatkankertraject van Henk waar we allemaal op onze eigen onhandige manier omheen hebben geprobeerd te staan.
Elke derde zaterdag van de maand eten we bij iemand thuis. Geen chic gedoe. De een maakt lasagne, de ander zet een grote pan erwtensoep neer. In de zomer zitten we in een tuin met van die dunne plaids over onze knieën, ook als het eigenlijk te koud is. Peter en Bas doen al dertig jaar alsof ze verstand hebben van wijn. Marjan neemt standaard te veel stokbrood mee. Het was gewoon óns avondje.
Bas is sinds ongeveer een jaar veranderd. Eerst viel het mee. Hij was gestopt met drinken, omdat hij merkte dat hij er slechter van sliep. Prima, dacht iedereen. Irene nam alcoholvrij bier voor hem mee en Peter kocht een fles 0.0 rood die niemand lekker vond, maar het gebaar telde.
Daarna ging Bas anders eten. Geen vlees, toen geen zuivel meer, later ook geen suiker, geen witmeel, niets uit pakjes of potjes en liefst biologisch. Hij was veel afgevallen en eerlijk is eerlijk: hij zag er goed uit. Rustiger ook, in het begin. Hij vertelde dat hij podcasts luisterde over leefstijl en dat hij voor het eerst in jaren geen pijn in zijn knieën had.
Ik gunde hem dat echt.
Alleen werd het geleidelijk iets waar wij allemaal rekening mee moesten houden. Eerst vroeg hij of we bij het koken de ingrediëntenlijst wilden bewaren, voor het geval hij iets moest nakijken. Toen wilde hij niet meer aan tafel als er vlees werd gegeten, vanwege de geur. Vervolgens stuurde hij voor ieder etentje een berichtje met wat hij wel en niet at.
Dat was al een hele lijst, maar nog steeds dacht ik: ach, als dit hem helpt.
Het werd lastiger toen hij ook over de gesprekken begon. Bas vond dat we te vaak ‘negatief’ waren. Geen geklaag over de politiek, geen opmerkingen over dik zijn of ouder worden, geen roddelen over mensen die er niet bij waren. Op zichzelf had hij soms best een punt. Ik kan ook wel mopperen, zeker als de zorgverzekering weer omhooggaat of mijn dochter voor de derde keer zegt dat ze geen tijd heeft om langs te komen.
Maar bij Bas voelde het niet als een verzoek. Het voelde als een reglement.
Vorige maand waren we bij Henk en Marjan. Henk had, met goede bedoelingen, een vegetarische curry gemaakt. Er stond ook een schaaltje kip apart, voor Peter en hemzelf. Bas kwam binnen, keek naar het aanrecht en zei niets. Hij legde zijn jas niet eens neer. Irene werd rood en begon uit te leggen dat de kip afgedekt stond.
Bas zei: ‘Ik heb aangegeven dat ik niet wil eten in een ruimte waar dierenleed als vanzelfsprekend wordt behandeld.’
Henk, die normaal alles weglacht, keek hem echt aan en zei: ‘Bas, het is een schaaltje kipfilet, geen slachthuis.’
De avond is toen nog wel doorgegaan, maar het zat overal tussen. In de stiltes, in hoe Peter steeds overdreven vroeg of Bas nog wat kombucha wilde. Ik wist niet eens dat je kombucha bij Albert Heijn kon kopen, maar Peter had er speciaal drie flessen voor gehaald.
Daarna kwam het bericht in de app. Bas schreef dat hij alleen nog bij de diners wilde zijn als we als groep bereid waren ‘een veilige, bewuste setting’ te creëren. Hij stelde voor dat we allemaal plantaardig aten op die avonden, geen alcohol schonken en afspraken om niet cynisch, veroordelend of ‘onnodig belastend’ te praten.
Marjan reageerde met een duimpje, volgens mij vooral omdat ze niet wist wat ze anders moest doen. Henk zei helemaal niets. Irene schreef dat ze hoopte dat we Bas wilden steunen in een belangrijke fase van zijn leven.
Peter stuurde mij apart: ‘Zo moeilijk is het toch niet, één avond per maand?’
Daar begon onze ruzie eigenlijk. Niet hard meteen. Eerder van die korte zinnen tijdens het afruimen.
‘Het gaat niet om die ene avond,’ zei ik.
‘Waar gaat het dan om?’
‘Dat hij bepaalt wat er op tafel staat en waar we het over mogen hebben.’
Peter zuchtte en stapelde de borden veel te hard op elkaar. ‘Bas heeft het kennelijk nodig.’
‘En wij dan? Hebben wij niets nodig?’
We zouden die zaterdag bij ons eten. Ik had al maanden geleden gezegd dat ik osso buco wilde maken, omdat mijn zus uit Italië het recept had meegenomen en ik het eindelijk aandurfde. Ineens stond ik op vrijdagmiddag met een halve kalfsschenkel in de koelkast en een man die zei dat ik misschien beter iets anders kon maken.
Ik heb hem aangekeken alsof hij gek was.
‘Je weet toch dat Bas anders niet eet,’ zei Peter.
‘Dan eet Bas niet.’ Meteen toen ik het zei, vond ik het hard klinken. Maar ik nam het niet terug.
Uiteindelijk heb ik een grote pan tomaten-linzensoep gemaakt, brood gehaald bij de bakker en daarnaast toch de osso buco bereid. Ik dacht: iedereen kan kiezen. Zo deden we dat vroeger ook, alleen was er toen geen reden om er zo zwaar aan te tillen.
Bas en Irene kwamen als laatsten. Bas zag de schaal op tafel en vroeg of er apart bestek was gebruikt. Ik zei dat ik de soep met een schone lepel had opgeschept en dat het vlees in een andere pan was gemaakt.
Hij bleef staan.
‘Maar er wordt dus wel vlees gegeten?’
‘Ja,’ zei ik. Mijn stem trilde een beetje, en daar baalde ik van. ‘Door wie dat wil.’
Hij keek naar Peter, niet naar mij. Dat vond ik misschien nog het vervelendst.
Peter zei: ‘Anja heeft echt haar best gedaan.’
Bas antwoordde: ‘Het gaat niet om moeite. Het gaat om respect.’
Toen zei ik iets wat ik beter anders had kunnen zeggen. Ik zei: ‘Respect is niet dat zes mensen zich aanpassen totdat jij nergens meer last van hebt.’
Irene begon te huilen. Heel stil, met haar hand voor haar mond. Bas pakte zijn jas van de kapstok. Hij zei dat hij niet wilde dreigen, maar dat hij zich blijkbaar niet meer welkom voelde in deze groep.
Henk zei eindelijk: ‘Dat zeggen wij toch niet?’
Maar Bas schudde alleen zijn hoofd. Hij en Irene zijn na misschien tien minuten weer weggegaan. De soep stond op tafel. Marjan had een bos tulpen meegenomen en die stonden nog in hun plastic op de gang.
Peter heeft de rest van de avond bijna niets tegen me gezegd. Toen Henk en Marjan weg waren, zei hij dat ik een punt had kunnen maken zonder Bas voor het blok te zetten. Ik zei dat Bas óns voor het blok zette. Daar kwamen we niet uit.
Nu is het een week later. In de app wordt voorzichtig gepraat over een restaurant waar iedereen iets kan bestellen. Bas heeft nog niet gereageerd. Irene ook niet. Peter vindt dat ik sorry moet zeggen voor mijn toon. Misschien moet dat ook wel, in elk geval tegen Irene. Ik wilde haar niet laten huilen.
Maar ik kan mezelf er niet toe zetten om excuses te maken voor die schaal op mijn eigen tafel. Vanavond eten Peter en ik restjes uit de vriezer. Hij wil stamppot boerenkool, ik eigenlijk niet. Toch haal ik straks rookworst, gewoon bij de supermarkt om de hoek. Ik weet nu al dat het stil zal zijn aan tafel.