Mijn man kreeg op zijn 64e zijn droombaan in het buitenland, precies toen ik dacht dat ons leven eindelijk hier zou beginnen
De eerste keer dat ik serieus dacht: ik ga niet mee, stond ik in onze nieuwe keuken een schaal aardbeien af te wassen.
Het klinkt achteraf zo onbenullig. Maar die keuken hadden we na twee jaar stof, offertes, uitlopende aannemers en eindeloze discussies over handgrepen eindelijk af. Ik keek naar buiten, naar de tuin waar de lavendel net begon te bloeien, en ik dacht alleen maar: dit is míjn huis. Niet als bezit, maar als plek. Hier ken ik de buren. Hier fiets ik op donderdag naar keramiek. Hier kan ik op zondagochtend zonder plan naar mijn zus in Amersfoort. Hier hoef ik niet meer opnieuw te beginnen.
Mijn man, Erik, was op dat moment boven aan het bellen. Hij kwam beneden met zo’n gezicht dat ik al dertig jaar ken: een beetje rood, ogen helder, alsof hij koffie op heeft terwijl hij eigenlijk nauwelijks koffie drinkt.
Hij had een aanbod gekregen van een internationaal ingenieursbureau waar hij vroeger veel mee had samengewerkt. Drie jaar consultancy in Singapore. Projecten begeleiden, jonge mensen opleiden, rechtstreeks rapporteren aan de Europese directie. Een appartement daar, vluchten naar Nederland, een salaris waar ik eerlijk gezegd even stil van werd.
Erik is 64. Hij zou volgend voorjaar minder gaan werken en daarna stoppen. We hadden het daar vaak over gehad, al bleek later dat wij blijkbaar heel verschillende gesprekken hadden gevoerd zonder dat door te hebben.
Voor hem betekende pensioen vooral: geen financiële zorgen, meer reizen, misschien een camper kopen, de kinderen later iets kunnen nalaten. Hij zei dat dit aanbod precies genoeg zou opleveren om alles ruim te kunnen doen. Niet steeds rekenen in de supermarkt, geen gedoe als de cv-ketel kapotgaat, gewoon vrijheid.
Voor mij betekende pensioen dat ik niet meer hoefde te wachten.
Ik ben 62 en heb jarenlang mijn werk aangepast aan zijn baan en aan ons gezin. Eerst werkte ik drie dagen bij een makelaarskantoor. Toen Erik steeds vaker naar Duitsland en later naar Zweden moest, ging ik naar twee dagen. Onze oudste had dyslexie en zat een tijd niet lekker op school, mijn moeder werd ziek, daarna kwamen de kleinkinderen. Ik zeg niet dat Erik nooit iets deed, want dat deed hij wel. Hij was een goede vader op zijn manier. Hij belde vanuit hotels, kwam thuis met kleine cadeautjes, nam de kinderen mee naar voetbal als hij er was.
Maar er moest altijd iemand zijn die bereikbaar was. Die bij de tandarts zat, die de was van een kamp had, die wist welke buurvrouw een sleutel had. En dat was ik.
Toen mijn moeder overleed, ben ik helemaal gestopt met werken. Dat was niet eens een groot besluit. Het gebeurde gewoon. De werkgever nam iemand anders aan, ik had mijn handen vol, en daarna was ik 58 en voelde solliciteren alsof ik een jas aantrok die niet meer paste.
De laatste anderhalf jaar heb ik juist voorzichtig iets van mezelf teruggevonden. Keramiek op donderdagavond, aquajoggen met Nanda en Ria, oppassen op onze kleindochter Noor op maandagmiddag. Ik help sinds kort één ochtend per week in de kringloop in ons dorp. Niet omdat het moet, maar omdat ik het fijn vind dat mensen daar gewoon binnenlopen met tassen vol rommel en verhalen.
Erik noemde Singapore eerst een avontuur. Hij zei het bijna luchtig.
“Drie jaar is zó voorbij, Marije. En daarna komen we terug in dit huis en hoeven we echt nergens meer over na te denken.”
Ik zei: “Maar ik wil juist nu hier zijn.”
Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik nooit van hem gehouden had.
De weken daarna werd het steeds stroever. Niet met geschreeuw, al is dat een keer wel gebeurd. Vooral met van die kleine dingen. Hij stuurde links naar appartementen met zwembaden op het dak. Ik reageerde pas uren later met een duimpje, waar ik me kinderachtig om voelde. Ik stuurde hem een rooster van mijn keramiekcursus voor het najaar, alsof dat een argument was dat naast zijn contract kon liggen.
Hij zei dat ik in Singapore ook van alles kon doen. Nederlandse expatgroepen, vrijwilligerswerk, cursussen. Hij had het allemaal al uitgezocht.
Dat maakte me juist kwaad. Alsof mijn leven inwisselbaar was. Alsof je vrienden, gewoontes en een gevoel van thuis gewoon opnieuw aanvraagt via een Facebookgroep.
Op een avond zei hij: “Je doet net alsof ik jou expres iets afpak.”
Ik zei: “En jij doet net alsof ik alleen maar mee hoef te verhuizen omdat jij nog één keer belangrijk wilt zijn.”
Dat was gemeen. Ik weet dat. Erik wil niet alleen belangrijk zijn. Hij is goed in zijn werk, echt goed. Hij heeft jarenlang dingen opgelost waar anderen op vastliepen. De afgelopen jaren merkte ik ook dat hij het moeilijk vond dat jongere mensen langzaamaan zijn plek innamen. Hij praatte daar niet veel over, maar ik zag het wanneer hij thuiskwam na een reorganisatie of weer een overleg waarin iemand van 35 een plan presenteerde dat hij al tien jaar eerder had bedacht.
Misschien is dit aanbod voor hem niet alleen geld. Misschien is het een afscheid dat hij zelf mag vormgeven, in plaats van langzaam naar de zijlijn schuiven.
Maar voor mij voelt het alsof ik weer moet wachten tot zijn werk klaar is voordat mijn leven mag beginnen.
We hebben nog voorgesteld dat hij alleen zou gaan en om de paar weken terug zou komen. Zijn contactpersoon was daar heel duidelijk over: ze zoeken iemand die ter plekke een team opbouwt. Veel reizen naar Nederland zou mogelijk zijn, maar structureel op afstand werken niet. En drie jaar apart wonen vonden we allebei eerst ondenkbaar.
Toch praten we daar nu over.
Vorige zondag zaten we aan de eettafel. De bouwmarktbonnen lagen er nog, want ik ben die steeds aan het sorteren voor de administratie, hoewel ik niet eens weet waarom. Erik had zijn laptop dichtgeklapt. Hij zei dat hij uiterlijk vrijdag moest reageren.
“Ik kan niet doen alsof dit me niets kost,” zei hij. “Ik krijg zoiets niet nog een keer.”
Ik zei: “Ik kan niet doen alsof meegaan mij niets kost.”
Daarna zaten we lang stil. Buiten liep de buurman langs met zijn labrador. Hij stak zijn hand op naar het raam. Ik stak automatisch terug op, en toen moest ik ineens huilen. Niet heel dramatisch. Gewoon met tranen die bleven komen terwijl ik me er juist voor schaamde.
Erik kwam niet meteen naar me toe. Dat deed pijn, maar ik denk dat hij zelf ook niet wist wat hij moest doen. Uiteindelijk zette hij een kop thee voor me neer. Alsof we na een begrafenis thuiskwamen.
Hij is nog niet vertrokken en hij heeft ook nog niet getekend. Vrijdag is morgen.
Ik heb hem niet gezegd dat hij het moet weigeren. Dat woord, dwingen, voelt verkeerd. Maar ik heb ook niet gezegd dat ik met hem meega. Misschien hoop ik nog steeds dat hij zelf zegt dat het niet opweegt tegen wat we hier hebben. En tegelijk weet ik hoe oneerlijk het is om dat van hem te verwachten zonder het hardop te vragen.
Vanmiddag ga ik gewoon naar de kringloop. Er staan dozen met serviesgoed die uitgezocht moeten worden. Vanavond eten we restjes pasta, want ik heb geen zin om boodschappen te doen.
En morgen moeten we blijkbaar beslissen welk leven van ons allebei het zwaarst mag wegen.