Ik had eindelijk tijd om met mijn vrouw de wereld te zien, maar haar moeder kwam tussen ons in te staan
De stickers van onze wereldreis zitten nog steeds op de koffers. Peru, Nieuw-Zeeland, Japan. Mijn vrouw Marije had ze zelf uitgezocht en er met een zwarte stift de vertrekdata op geschreven. We zouden vier maanden weggaan, vanaf begin oktober. Niet omdat we rijk zijn, integendeel. We hebben er jaren voor gespaard, veel niet gedaan, een oude auto doorgereden. Maar nu ik 67 ben en zij 65, allebei gestopt met werken, dachten we: als we het ooit doen, dan nu.
Die koffers staan al sinds februari op zolder, leeg op een paar oude regenjassen na.
Marijes moeder, Riet, woont in Linschoten, een dorpje hier vandaan. Met de auto ben je er in twaalf minuten, behalve als de brug openstaat of er weer ergens aan de weg gewerkt wordt. Riet is 89. Ze heeft geen dementie, en juist dat maakt alles ingewikkeld, denk ik. Ze weet precies wat ze wil, wat ze niet wil en ook heel goed hoe ze Marije het gevoel kan geven dat ze nodig is.
Riet is lichamelijk gewoon achteruitgegaan. Eerst was het de trap. Toen viel ze een keer in de badkamer, gelukkig zonder iets te breken. Daarna kreeg ze moeite met haar medicijnen, niet omdat ze het niet begreep, maar omdat ze soms misselijk werd en dan besloot ze die pillen maar over te slaan. Ze heeft COPD en slechte knieën. Koken lukt nog wel als iemand de zware boodschappen neerzet en de pannen uit het onderste kastje haalt. Maar alleen wonen zonder dat er elke dag iemand komt kijken, dat kan eigenlijk niet meer.
Marije is enig kind. Haar vader is twintig jaar geleden overleden. Dat verklaart veel, ik weet het. Ze zijn altijd heel hecht geweest. Riet belde vroeger ook al voor alles: een lekkende kraan, een brief van de Belastingdienst, een lampje in de auto. Ik vond dat soms wat veel, maar Marije werkte toen nog vier dagen per week bij de gemeente en we hadden ons eigen ritme. Nu is er geen werk meer dat haar dag begrenst.
In het begin hielp ze gewoon wat vaker. Boodschappen, de huisartsenpraktijk bellen, meegaan naar de longverpleegkundige. Daarna werd het dagelijks. Eerst rond een uur of tien, dan vaak nog een keer aan het eind van de middag omdat haar moeder zich niet lekker voelde of de televisie het ‘niet deed’. Meestal stond de televisie dan op een verkeerde bron.
Ik begon mijn koffie alleen te drinken.
Dat klinkt kinderachtig als ik het zo opschrijf. Een vrouw van bijna negentig heeft hulp nodig en ik zit te mokken omdat ik alleen aan tafel zit. Maar het ging niet alleen om koffie. We zouden samen fietsen, museumjaarkaarten gebruiken, een paar weken met de camper naar Frankrijk. In plaats daarvan keek ik op mijn telefoon of Marije al gelezen had dat ik vroeg of ze vanavond mee wilde eten bij vrienden.
Vaak kwam er pas uren later iets terug: ‘Ik weet het nog niet, mam is benauwd.’
Ik heb vanaf het begin gezegd dat we hulp moesten regelen. Niet om Riet weg te stoppen, zoals Marije het soms noemt. Gewoon thuiszorg voor de medicatie en de douchezorg. Iemand van de wijkverpleging die mee kon kijken wat er nodig was. En misschien een dag per week dagbesteding, zodat Riet onder de mensen kwam.
Marije werd dan meteen hard in haar gezicht.
‘Mijn moeder wil geen vreemde aan haar bed.’
‘Maar jij bent haar dochter, geen verpleegkundige.’
‘Nee, ik ben haar dochter. Precies daarom laat ik haar niet aan haar lot over.’
Dat laatste zei ze alsof ik had voorgesteld haar moeder ergens langs de A2 achter te laten.
Ik ben ook niet handig geweest. Een keer, na een avond waarop we voor de derde keer in twee weken een etentje afzegden, zei ik dat Riet best naar zo’n mooi seniorencomplex in Woerden kon. Eigen appartement, restaurant beneden, zorg dichtbij, activiteiten. Mijn eigen tante heeft daar gewoond en die knapte juist op van de aanspraak.
Marije keek me aan en zei: ‘Jij wilt vooral dat zij verdwijnt uit onze agenda.’
Daar had ik geen goed antwoord op. Want een deel van mij wilde inderdaad dat onze agenda weer van ons werd. Niet dat Riet verdween. Dat is iets anders, maar op dat moment klonk het waarschijnlijk hetzelfde.
De wereldreis was het punt waarop alles openbrak. We hadden al aanbetalingen gedaan en een reisverzekering afgesloten. Mijn broer zou de planten doen, de buurvrouw zou een sleutel hebben. Voor Riet hadden we nog niets echt vastgelegd, omdat Marije elke optie afwees. Logeeropvang vond ze onpersoonlijk. Een particuliere hulp via een bureau vertrouwde ze niet. Thuiszorg was te wisselend, zei ze, steeds andere gezichten. En bij haar thuis wonen met 24-uurszorg was financieel niet haalbaar, nog los van het feit dat Riet dat zelf niet wilde.
In augustus zei Marije op een dinsdagavond, terwijl ze aardappels stond te schillen, dat ze niet meeging.
Niet ‘misschien niet’. Niet ‘we moeten overleggen’. Ze ging niet mee.
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte. Daarna werd ik boos. Harder dan ik wilde. Ik zei dat ik me al maanden een bijrijder voelde. Dat we onze hele werkende leven hadden aangepast aan verantwoordelijkheden en dat ik niet van plan was mijn laatste fitte jaren op de bank door te brengen terwijl zij twee keer per dag naar haar moeder reed.
Marije zette het mes neer. Ze huilde niet eens. Ze zei alleen: ‘Dus jij verwacht dat ik in Japan zit terwijl mijn moeder misschien ’s nachts valt en niemand haar hoort?’
Ik zei dat dat niet eerlijk was, omdat er oplossingen waren. Zij zei dat oplossingen op papier makkelijk zijn als het niet jouw moeder is.
De volgende ochtend sliep ik in de logeerkamer. Niet vanwege een groot gebaar. Ik had gewoon geen zin om naast haar te liggen en te doen alsof we allebei normaal ademhaalden.
Uiteindelijk zijn we niet gegaan. Ik had alleen kunnen vertrekken, dat zei Marije zelfs. Maar wat moest ik daar dan? Vier maanden foto’s sturen van bergen en markten terwijl zij hier met haar moeder naar de huisartsenpost ging? Ik heb de reis geannuleerd. We kregen een deel terug, maar lang niet alles. Het geld doet pijn, maar niet zo erg als ik had gedacht. Waar ik vooral wakker van lig, is dat ik inmiddels bij elk telefoontje van Riet een irritatie voel voordat ik weet wat er aan de hand is. Daar schaam ik me voor.
Sinds vorige week komt er ’s ochtends thuiszorg. Niet elke dag dezelfde vrouw, precies waar Marije bang voor was, maar tot nu toe zijn ze vriendelijk geweest. Riet vindt het nog steeds niks. Ze doet alsof ze de hele ochtend voor de komst van ‘dat meisje’ moet opruimen, terwijl ze zelf nauwelijks kan stofzuigen. Marije gaat nog altijd dagelijks, vaak twee keer. Alleen nu is het soms een uur in plaats van een halve dag.
Vanmiddag hebben we koffie gedronken in de stad. Gewoon op een terras bij het station. Marije vertelde dat haar moeder had gevraagd of ze die avond ook kon blijven slapen, omdat het stormde en ze bang was voor het geluid tegen de ramen. Marije zei dat ze eerst naar huis ging, naar mij.
Ze zei het niet trots. Meer alsof ze toestemming vroeg.
Ik heb alleen gezegd dat ik pasta zou maken. Daarna zaten we een tijdje stil met onze koffie. Om vijf uur keek ze op haar telefoon. Niet omdat die afging, maar omdat hij er lag.
Ik weet nog niet of we volgend voorjaar alsnog ergens heen gaan. Misschien een week, misschien helemaal niet. De koffers staan in ieder geval nog op zolder. Ik kan er langs zonder omhoog te kijken, maar ik weet precies dat ze daar staan.