Onze beste vrienden werden langzaam onze zorgtaak, en ik wist niet meer hoe ik nog nee moest zeggen

De eerste keer dat Marjan me belde omdat ze niet meer wist hoe ze haar pinpas moest gebruiken, stond ik met nat haar in de badkamer. Het was half negen ’s avonds. Ik hoorde aan haar stem dat ze zich schaamde.

“Er staat iets op het scherm, Annie, en Henk wordt boos omdat ik het niet snap.”

Ik ben toen meteen in de auto gestapt. Natuurlijk deed ik dat. Marjan en Henk waren niet zomaar kennissen. We kennen elkaar sinds 1987, van de camping in Zuid-Frankrijk waar onze kinderen nog klein waren en iedereen te weinig geld had voor een fatsoenlijke caravan. Daarna kwamen de zondagse etentjes, oud en nieuw, wandelweekenden in Limburg, de vaste vrijdagavond waarop we om de beurt bij elkaar aten.

We noemden elkaar vroeger weleens gekscherend familie zonder gedoe. Dat was toen nog leuk.

Kees en ik zijn nu 68 en 70. Hij werkte bij de gemeente, ik heb jarenlang in een apotheek gewerkt. We hadden ons pensioen niet groots voorgesteld. Gewoon wat fietsen, vaker naar onze dochter in Zwolle, misschien in het voorjaar een paar weken met de camper weg. Niks bijzonders. Maar wel eindelijk tijd die niet al van tevoren gevuld was.

Bij Marjan begon het klein. Ze vergat afspraken, zette een pan op het vuur en liep naar boven om de was op te hangen. Henk, die altijd de rustige van de twee was geweest, werd juist kortaf. Hij heeft ernstige artrose in zijn knieën en sinds een val in de schuur loopt hij met een rollator, al vindt hij dat zelf onzin. “Dat ding is voor oude mensen,” zei hij, terwijl hij zelf nauwelijks van de bank kon opstaan.

In het begin deden we losse dingen. Kees haalde boodschappen als hij toch naar de Lidl ging. Ik keek mee naar post van de bank of de zorgverzekering. Een keer reed ik mee naar de huisarts omdat Marjan anders niet meer wist wat er gezegd was. Henk bedankte ons dan uitgebreid. Hij zette koffie, vaak te sterk, en zei: “Wat zouden we zonder jullie moeten?”

Dat raakte me. Misschien ook omdat ik bang ben dat wij later net zo afhankelijk worden van iemand.

Maar losse dingen werden vaste dingen zonder dat iemand dat hardop besloot. Op dinsdag de boodschappen. Donderdag de post. Vrijdag meenemen naar de fysio. In het weekend bellen of de medicatie nog goed ging. Als Kees en ik een dag niet opnamen, belden ze eerst nog eens, daarna op mijn mobiel, daarna soms onze dochter. Een keer stonden ze om kwart voor acht op zondagochtend voor de deur omdat de televisie het niet deed. Het bleek dat de afstandsbediening op de verkeerde stand stond.

Kees werd daar steeds stiller van. Niet boos op een manier die je direct merkt. Hij ging gewoon langer in de schuur rommelen. Of hij zei dat hij nog “even naar de bouwmarkt” moest, terwijl we niks nodig hadden.

Op een maandagmiddag hadden we eigenlijk kaartjes voor een matineevoorstelling in Utrecht. Voor het eerst in maanden iets samen, met de trein, ergens lunchen. Marjan belde een uur voordat we weg wilden. Henk had zijn enkel dik en ze wilde naar de huisartsenpost, want volgens haar was hij misschien gebroken.

Kees zei zacht tegen mij: “Ze kunnen een taxi nemen.”

Ik keek hem aan alsof hij iets afschuwelijks voorstelde.

“Hij kan toch niet alleen lopen?” zei ik.

“Annie, hij kan ook niet met ons mee als het geen spoed is. En als het wel spoed is, moeten we 112 bellen of de huisartsenpost.”

Ik voelde meteen die irritatie, maar ook iets anders. Schuld, denk ik. Alsof ik moest kiezen tussen een toneelstuk en mensen die we al bijna ons hele leven kennen. Dus we gingen niet naar Utrecht. In de wachtkamer bleek dat Henk zijn enkel had verstuikt. Hij had de dag ervoor een krukje willen verplaatsen en was uitgegleden. De arts zei dat hij moest rusten en zijn been hoog moest leggen.

Op weg naar huis zei Kees bijna niets. Bij een stoplicht zei hij: “We zijn die kaartjes niet eens kwijt, hè. Maar het gaat me erom dat wij blijkbaar nooit meer iets mogen hebben wat niet verschuift voor hen.”

Ik zei dat hij overdreef. Dat was niet eerlijk van me, dat weet ik nu wel. Hij overdreef misschien niet. Ik wilde het alleen niet horen.

De moeilijkste gesprekken gingen niet eens met Henk en Marjan, maar bij ons aan de keukentafel. Kees had een vel papier gemaakt met alles wat we in één week voor hen deden. Hij was boekhouder geweest voordat hij bij de gemeente kwam, dus hij maakt van onrust graag lijstjes. Er stonden veertien dingen op. Sommige klein: vuilnis buiten zetten, een lamp vervangen. Andere niet klein: meegaan naar de geriater, bellen met de thuiszorg, anderhalf uur zoeken naar een kwijtgeraakte DigiD-brief.

“Dit is geen vriendschap meer,” zei hij. “Dit is mantelzorg, alleen dan zonder dat iemand anders weet dat we het doen.”

Ik werd kwaad. “Dus omdat het lastig wordt, laat je ze vallen?”

Hij keek me toen heel moe aan. “Nee. Maar jij laat ons wel vallen, Annie. Iedere keer een beetje.”

Daar heb ik die nacht van wakker gelegen. Niet omdat ik vond dat hij gelijk had, eerlijk gezegd. Vooral omdat een deel van mij bang was dat hij gelijk had.

Henk en Marjan wilden absoluut niet praten over meer hulp. De casemanager dementie was volgens Marjan “zo’n jonge vrouw die meteen over een verzorgingshuis begint”. Dat klopte niet helemaal; die vrouw had juist thuiszorg en dagbesteding genoemd. Henk zei dat er genoeg kinderen waren, maar hun zoon woont in Canada en hun dochter werkt fulltime in Rotterdam en komt al zo vaak als ze kan. Zij leunen ook op ons, al zegt niemand dat zo.

Het kantelde op een vrijdagavond. We zouden bij hen eten, zoals vroeger. Marjan had de aardappels laten aanbranden en Henk was daar boos om geworden. De hele keuken rook naar rook en jus. Kees zette een raam open en ik maakte iets simpels met eieren.

Tijdens het eten zei Henk dat we voortaan een sleutel moesten hebben, “voor als er iets is”. Daarna zei hij dat Kees op maandag wel even de administratie kon doen, want de enveloppen werden te veel. Marjan knikte en zei: “En Annie, jij kunt misschien ook de was meenemen. Onze machine maakt zo’n raar geluid.”

Het werd gezegd alsof we bespraken wie de salade meenam naar een barbecue.

Kees legde zijn vork neer. Hij bleef beleefd, dat maakt het achteraf bijna pijnlijker.

“Wij gaan niet structureel alles overnemen,” zei hij. “We willen helpen, maar dit moet anders georganiseerd worden.”

Marjan begon te huilen. Niet hard, eerder gekwetst. Ze zei: “Dus nu zijn we een last.”

Dat woord bleef tussen ons in hangen. Ik haatte Kees op dat moment een beetje, omdat hij haar pijn had gedaan. Maar ik zag ook hoe zijn handen trilden onder tafel. Henk zei niets meer. Toen we weggingen, deed Marjan niet eens de moeite om op te staan.

De dagen daarna belde ze minder. Daar was ik eerst opgelucht over, en daar schaamde ik me vervolgens weer voor. Uiteindelijk belde haar dochter mij. Ze had gehoord dat er spanning was en was vooral moe. Niet boos, moe. Ze zei dat zij en haar broer nu met de casemanager gingen kijken naar thuiszorg, een maaltijdservice en iemand voor de administratie.

“Mijn moeder zegt dat jullie haar wegsturen,” zei ze. “Maar ik snap ook dat dit niet alleen op jullie kan blijven liggen.”

Sindsdien gaan we nog steeds twee keer per week langs. Kees doet op woensdag de boodschappen en ik drink op zaterdag koffie met Marjan, als ze daar zin in heeft. Soms is ze warm en vertrouwd, dan vertelt ze ineens weer precies hoe we vroeger in de regen onze tent probeerden op te zetten. Soms kijkt ze me aan alsof ik een hulp ben die te laat komt.

Vorige week vroeg ze waarom we niet meer op vrijdag eten. Ik zei dat dat nu te veel gedoe is met de thuiszorg en alles. Dat was laf. Ik durfde niet te zeggen dat ik die vrijdagavonden terug wil voor Kees en mij.

We hebben nog steeds die kaartjes voor Utrecht. De voorstelling is allang geweest. Ze liggen in een la van het dressoir, tussen oude garantiebewijzen en een menukaart van een restaurant dat niet meer bestaat. Kees zegt dat we volgende maand gewoon ergens anders heen gaan.

Ik heb nog niet gezegd dat ik daar zenuwachtig van word, omdat ik dan mijn telefoon op stil moet zetten.