Ik zette een antieke kast in onze woonkamer en ineens voelde mijn pensioen als een kooi

Ik wist dat het mis zat toen ik op een dinsdagochtend om half elf een doek van een oude eiken linnenkast afhaalde en Kees zuchtend de kamer uitliep met zijn koffie in de hand.

Niet boos schreeuwend of zo. Juist dat stille zuchten, alsof ik een vaatwasser had laten overstromen terwijl hij ernaast stond.

De kast staat nu al ruim twee weken in onze woonkamer. Hij is van een mevrouw uit Deventer, via via. Een erfstuk van haar ouders, jaren op zolder gestaan, houtwormschade aan één poot, los fineer aan de zijkant. Ze betaalt goed, eerlijk gezegd beter dan ik had durven vragen. Maar er ligt ook schuurpapier op de eettafel, mijn potjes houtlijm staan op het dressoir en onder het vloerkleed zitten inmiddels drie kleine druppels beits die ik er niet helemaal uit krijg.

Kees zegt er niet veel over. Dat maakt het erger.

We zijn allebei 64. Hij werkte bij de gemeente, op de afdeling vastgoedbeheer, en ik heb meer dan dertig jaar in een interieurzaak gewerkt. Eerst verkoop, later vooral de inkoop en etalages. Twee jaar geleden konden we eerder stoppen. Niet steenrijk, absoluut niet, maar met een goed pensioen, een afgeloste hypotheek en geen rare leningen. Ons huis staat in een rustige straat in Amersfoort, zo’n rijtjeshuis uit de jaren tachtig met een kleine voortuin waar Kees elk voorjaar veel te vroeg de potten neerzet.

Het idee was eigenlijk heel simpel. Fietsen. Naar de volkstuin. Op donderdag onze kleindochter Noor ophalen van school als onze dochter moest overwerken. Af en toe een midweekje weg, geen gedoe.

En in het begin vond ik dat ook heerlijk. Ik maakte jam van pruimen uit de tuin. We gingen op maandag naar de markt, omdat het kon. We dronken koffie zonder naar de klok te kijken.

Maar na een maand of acht begon ik me vreemd te voelen. Niet ongelukkig, dat is misschien een groot woord. Meer alsof ik nergens echt nodig was. Alles wat ik deed, kon ook morgen. Of volgende week. Kees leek daar veel minder last van te hebben. Hij kan gerust een hele ochtend een schuttingdeel vervangen, daarna naar Studio Sport kijken en dan zeggen dat het een productieve dag was. Ik keek daar soms jaloers naar.

Ik heb vroeger, nog voordat de kinderen er waren, een cursus meubelrestauratie gevolgd in Utrecht. Daarna deed ik af en toe iets voor vrienden: een stoeltje, een kastdeurtje, een oud tafeltje. De laatste jaren van mijn werk had ik dat weer opgepakt. Op zaterdag in de schuur, met een elektrische kacheltje bij mijn voeten. Mensen begonnen foto’s te sturen via Facebook. Of ze tagden me in buurtgroepen. ‘Marlies kan dit misschien.’

Ik heb het onderwerp van een eigen werkplaats niet ineens op tafel gegooid. Dat zegt Kees nu wel, maar het is niet waar. We hebben er zeker een jaar over gepraat. Eerst voorzichtig. Dan zei ik: “Stel dat ik de voorkamer als atelier zou gebruiken.” En dan zei hij: “Ja, maar waar moeten de fietsen dan?”

Later heb ik uitgezocht wat er mogelijk was. De benedenverdieping anders indelen, een aparte ingang aan de zijkant, een degelijke afzuiging. Niet een winkel met een uithangbord en dagelijks tien mensen over de vloer. Op afspraak werken. Hooguit twee klanten per week. De meeste meubels worden gebracht door een transportbedrijf of door mensen zelf.

Kees bleef bij elk gesprek terugkomen op hetzelfde: hij wilde geen bedrijf aan huis.

“Wij zijn juist met werken gestopt,” zei hij. “Ik heb veertig jaar rekening gehouden met anderen. Ik wil niet dat er straks weer busjes voor de deur staan en dat ik me moet afvragen of ik in mijn onderbroek naar de keuken kan.”

Ik moest daar eerst om lachen. Maar hij lachte niet mee.

De offerte voor de verbouwing was bijna negenduizend euro. Dat is veel geld, ik weet het. We kunnen het betalen uit spaargeld, maar het blijft geld dat ook naar een andere badkamer had kunnen gaan, of naar reizen, of gewoon als reserve. Ik had een aannemer laten komen toen Kees een ochtend met zijn broer naar de volkstuin was. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ik wilde hem niet overvallen, ik wilde alleen eindelijk weten waar we het over hadden. Maar toen de offerte binnenkwam en ik die op tafel legde, werd zijn gezicht helemaal strak.

Hij zei: “Dus je hebt het al besloten.”

Ik zei dat ik juist wilde dat we er samen naar keken.

“Dat doe je dan wel op een rare manier.”

Daar had hij gelijk in. Alleen zei ik dat op dat moment niet. Ik begon over het daglicht, de ventilatie, over dat je niet professioneel kunt werken in een vochtige schuur van zes vierkante meter. Hij zei dat duizenden mensen hobby’s hebben zonder meteen hun huis te verbouwen.

Het woord hobby kwam hard aan. Misschien omdat ik zelf ook bang was dat hij gelijk had. Dat ik mezelf belachelijk maakte, op mijn 64e, met een Instagram-account en visitekaartjes waarop ‘Marlies Meubelrestauratie’ staat.

Toen kwam die kast uit Deventer.

De opdracht kreeg ik van iemand die mijn werk op een markt in Soest had gezien. Ik had daar een opgeknapt naaikastje neergezet, meer voor de aardigheid. Ze wilde vooraf betalen en ze had haast, omdat de kast over twee maanden naar haar dochter in Zweden zou gaan. Ik zei ja voordat ik goed had nagedacht.

In de schuur paste hij niet. Niet zonder alles eruit te halen en ik kon daar bovendien niet fatsoenlijk aan de zijkanten werken. Dus heb ik Kees gevraagd of de kast tijdelijk in de woonkamer mocht. Drie weken, zei ik. Misschien vier.

Hij zei: “Ik kan je toch niet tegenhouden, Marlies.”

Dat klonk niet als toestemming. Maar ik heb het toch gedaan.

Sindsdien leven we langs elkaar heen. Hij eet soms aan de keukentafel en soms neemt hij zijn bord mee naar boven, wat ik kinderachtig vind maar waar ik ook verdrietig van word. Gisteren wilde Noor langskomen na school. Kees belde onze dochter en zei dat het beter een andere keer kon omdat de woonkamer ‘een timmerwerkplaats’ was. Daar werd ik zó kwaad om dat ik in de bijkeuken ben gaan huilen, tussen de stofzuiger en de boodschappenkratjes.

Niet alleen omdat ik Noor miste. Ook omdat ik ineens zag hoe mijn plannen zijn rust echt hebben aangetast. De woonkamer is zijn plek. Hij leest daar de krant, doet daar zijn middagdutje als hij slecht heeft geslapen. Ik heb gedaan alsof die ruimte van ons allebei was, maar in de praktijk heb ik hem zonder overleg ingenomen.

Vanmorgen heb ik de aannemer gebeld. Niet om de verbouwing definitief te maken, maar om te vragen hoelang zijn offerte geldig blijft. Nog tot eind volgende maand.

Kees weet dat niet. Hij is nu bij de volkstuin. Vanmiddag komt hij thuis met modder aan zijn schoenen en waarschijnlijk een tas sla die we nooit op krijgen.

De kast is bijna klaar. Als ik er met mijn hand overheen ga, voel ik nog één ruwe plek onder de linkerhoek. Die moet ik straks opnieuw behandelen.

Daarna moet ik ook iets met ons huis doen. Of met mijn plan. Ik weet alleen nog niet welk van de twee ik als eerste durf aan te raken.