Na veertig jaar wilde ik één avond per maand terug — en mijn man hoorde alleen dat ik onze vrienden wilde verlaten
‘Dus je schaamt je voor ons?’ vroeg Henk, met zijn hand nog om de theepot geklemd.
De keuken rook naar aangebrande boerenkool. Buiten tikte regen tegen het raam. Ik stond met mijn jas nog aan, omdat ik net uit de bibliotheek kwam, waar ik me had ingeschreven voor een leesgroep.
‘Nee, Henk. Dat zeg ik niet.’
‘Je wilt niet meer naar de donderdagavond. Dat is precies wat je zegt.’
Veertig jaar lang zaten we bijna iedere donderdag bij dezelfde mensen. Om de beurt bij ons, bij Ria en Kees, bij Marjan en Theo, of bij Els en Willem. Eerst met jonge kinderen die boven lagen te slapen. Later met pubers die de koelkast leegaten en met hun ogen rolden als we te hard lachten. Daarna kwamen de kleinkinderen, de knieoperaties, de caravans en de verhalen over wie er weer een brief van de gemeente had gekregen.
Henk keek elke week naar die avond uit. Zeker sinds hij vorig jaar stopte bij de technische dienst van de gemeente. Hij miste het koffiehok, het geplaag, het gevoel dat iemand op hem rekende. Op donderdag trok hij al vroeg zijn nette trui aan. Dan zette hij blokjes kaas op tafel alsof de koning langskwam.
Maar ik voelde de laatste jaren al een knoop in mijn maag zodra het woensdag werd.
Bij Ria ging het altijd binnen tien minuten over die ene vakantie in Renesse, in 1989, toen Theo zijn zwembroek kwijt was. Kees vertelde vervolgens dat Henk toen ‘voor de grap’ de verkeerde tent was binnengelopen. Iedereen gierde. Zelfs Henk, elke keer weer, met zijn hand op zijn buik.
Ik glimlachte mee. Natuurlijk deed ik dat. Maar vanbinnen werd ik stiller.
Toen ik nog werkte in de thuiszorg, dacht ik vaak: als ik straks tijd heb, ga ik eindelijk dingen doen die van mij zijn. Ik wilde tekenen. Naar lezingen in de bibliotheek. Misschien vrijwilligerswerk bij het taalcafé. Niet omdat onze vrienden slechte mensen zijn. Integendeel. Toen mijn moeder stierf, stonden ze met pannen macaroni voor de deur. Toen Henk zijn hartonderzoek kreeg, belde Els om de dag.
Maar dankbaarheid is toch geen levenslange verplichting om elke donderdag hetzelfde rondje te blijven draaien?
‘Ik stel voor dat we één keer per maand gaan,’ zei ik voorzichtig. ‘En dat jij de andere keren gewoon gaat, als je wilt. Ik houd je niet tegen.’
Henk zette de theepot zo hard neer dat er thee over het aanrecht liep.
‘Alleen? Denk je dat ik daar leuk ga zitten zonder jou? Dan gaan ze vragen wat er aan de hand is.’
‘Dan zeg je dat ik een cursus heb.’
Hij lachte kort, maar er zat niks vrolijks in. ‘Een cursus. Op onze leeftijd. Alsof je opeens iemand anders moet worden.’
Dat raakte me meer dan ik wilde laten merken.
‘Misschien wil ik niet iemand anders worden,’ zei ik. ‘Misschien wil ik weer weten wie ik ben, behalve jouw vrouw en degene die op donderdag de schaal met gevulde eieren maakt.’
Hij keek me aan alsof ik een vreemde taal sprak.
De dagen daarna zei hij weinig. Hij ging wel mee naar de wekelijkse avond, maar hij was prikkelbaar. Toen Theo vroeg of ik de volgende keer weer mijn huzarensalade wilde maken, zei Henk: ‘Anja heeft daar tegenwoordig geen tijd meer voor. Die heeft een heel nieuw leven.’
Iedereen viel stil.
Ik voelde mijn wangen branden. Ria pakte mijn hand vast en vroeg te opgewekt: ‘Wat ga je dan doen?’
Ik vertelde over de leesgroep. Over een cursus tekenen in het buurthuis. Over het taalcafé, waar mensen oefenen met Nederlands spreken. Het klonk ineens klein en onhandig tussen de bierflesjes en de borrelnootjes.
Marjan knikte. ‘Leuk hoor.’ Maar meteen daarna begon Kees over Renesse.
In de auto naar huis barstte het eruit.
‘Waarom moest je dat zo zeggen?’ vroeg ik.
Henk staarde naar de weg. ‘Omdat jij doet alsof wij stilstaan en jij verdergaat.’
‘Ik doe alsof ik adem wil halen.’
Hij remde harder dan nodig was voor een drempel. ‘En ik dan? Jij hebt straks allemaal nieuwe mensen. Nieuwe plannen. Ik heb die donderdag. Dat is wat ik heb.’
Voor het eerst hoorde ik geen boosheid, maar angst. Kale, bijna kinderlijke angst. Henk was nooit iemand geweest die makkelijk nieuwe contacten maakte. Op zijn werk kwam alles vanzelf. Nu zat hij steeds vaker met zijn telefoon in zijn hand, wachtend tot iemand een bericht stuurde.
Ik legde mijn hand op zijn arm, maar hij trok die niet weg en pakte hem ook niet vast.
We zijn nu drie weken verder. Ik ben twee keer naar de leesgroep geweest. Henk ging één donderdag alleen naar onze vrienden. Hij zei dat het ‘best ging’, maar hij keek de hele avond alsof hij hoofdpijn had.
Volgende week komt iedereen bij ons. Ik heb geen huzarensalade gemaakt. Henk heeft wel kaas gehaald.
Ik wil onze geschiedenis niet weggooien. Maar moet ik mezelf dan maar blijven inleveren om te bewijzen dat ik trouw ben?
En als liefde ook betekent dat je elkaar ruimte geeft, waarom voelt die ruimte dan voor Henk als verlaten worden?