Na veertig jaar vriendschap zei Marijke dat wij in Frankrijk moesten zwijgen of wegblijven

‘Als jullie niet echt voor stilte kunnen kiezen, moeten we misschien niet meer samen naar Frankrijk.’

Marijke zei het terwijl ze de aardappelsalade uit mijn handen nam en zonder iets te vragen in de afvalbak kieperde. Met spekjes. Gewoon, de salade die ik al zeker twintig jaar maak voor onze eerste avond in het huisje bij de Ardèche.

Ik stond daar met mijn lege schaal in mijn handen. Naast mij trok Henk zijn wenkbrauwen op. Kees keek naar de grond, alsof hij hoopte dat de tegelvloer hem zou redden.

‘Marijke,’ zei ik, heel zacht eerst, ‘we zijn net aangekomen.’

‘Precies,’ antwoordde ze. ‘Dan kunnen we meteen helder zijn.’

Veertig jaar waren we bevriend. Veertig jaar. Henk en ik leerden Marijke en Kees kennen op de camping in Zeeland, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen natte handdoeken over de caravan hing. We vierden verjaardagen, begrafenissen, promoties en de geboorte van kleinkinderen samen. Toen mijn moeder stierf, stond Marijke ’s nachts bij mij in de keuken thee te zetten. Toen Kees zijn baan verloor bij de drukkerij, hielp Henk hem maandenlang met sollicitatiebrieven.

En ieder jaar gingen we naar hetzelfde huisje in Frankrijk. Geen luxe, hoor. Een krakende trap, luiken die altijd vastzaten en een zwembad waar de kinderen vroeger eindeloos in sprongen. We dronken rosé op het terras, speelden Rummikub en maakten ruzie over wie er moest afwassen. Kleine, fijne ruzies. Van die dingen waar je later om lacht.

Maar vorig najaar belde Marijke mij op.

‘Ik stop met werken,’ zei ze. ‘Ik ben klaar met al dat rennen. Ik ga eindelijk luisteren naar wat mijn lichaam en ziel nodig hebben.’

Ik wist niet goed wat ik daarop moest zeggen. Marijke had altijd in de thuiszorg gewerkt, was moe, dat snapte ik. Dus ik zei dat ze het verdiende om rust te nemen.

Daarna kwamen de retraites. Eerst een weekend op de Veluwe. Toen tien dagen in Limburg, zonder telefoon. Ze ging veganistisch eten, mediteren bij zonsopgang en stuurde berichten over “oude energieën loslaten”. Ik vond het soms wat veel, maar ach. Iedereen verandert. Zeker als je ouder wordt en je ineens voelt dat er misschien meer jaren achter je liggen dan voor je.

Kees deed overal aan mee. Hij, die vroeger op zaterdag om negen uur al bij de slager stond voor ossenworst. Nu dronk hij haverdrank en knikte hij ernstig wanneer Marijke sprak over ademwerk.

In Frankrijk bleek het geen nieuwe interesse. Het waren regels geworden.

Geen vlees, geen kaas, geen wijn. Om half zeven ochtendmeditatie. Tussen negen en twaalf volledige stilte. Geen radio, geen spelletjes, geen bezoek aan het marktje omdat daar volgens Marijke ‘te veel consumptiedrang’ hing.

Henk hield het precies één ochtend vol. Daarna liet hij per ongeluk, of misschien niet per ongeluk, een lepel in zijn koffiekop vallen. Het geluid galmde door de keuken.

Marijke keek hem aan alsof hij iets had kapotgemaakt.

‘Kun je niet één week respect opbrengen?’ vroeg ze.

Henk werd rood. Mijn Henk is geen ruziemaker. Juist daarom schrok ik.

‘Respect is niet hetzelfde als doen alsof ik iemand anders ben,’ zei hij.

Die avond zat ik met Marijke op het terras. De lucht was zacht, ergens blafte een hond. Vroeger waren dit de momenten waarop we alles bespraken. Onze zorgen over de kinderen, geld, ouder worden, de gekke gewoontes van onze mannen.

‘Ik mis je,’ zei ik.

Ze keek me lang aan. ‘Je mist de oude versie van mij.’

‘Ja,’ zei ik. Het floepte eruit. ‘Misschien wel.’

Haar gezicht vertrok. ‘Dat is pijnlijk, Anja.’

‘Maar jij dan? Jij lijkt niet te missen dat wij ook nog bestaan zoals we zijn.’

Ze vouwde haar handen in haar schoot. ‘Vriendschap vraagt soms dat je met elkaar meegroeit.’

‘Meegroeien is iets anders dan geen boter op je brood mogen en niet meer mogen lachen voor de lunch.’

Kees kwam naar buiten, maar zei niets. Dat vond ik misschien nog het ergst. Hij had Henk altijd begrepen. Nu stond hij achter Marijke, stil en strak, alsof steun betekende dat hij zijn eigen stem moest inleveren.

De volgende ochtend pakten Henk en ik onze spullen. Niet boos schreeuwend, geen deuren die sloegen. Alleen die nare, zware stilte tussen mensen die elkaar door en door kennen en elkaar ineens niet meer bereiken.

Bij de auto hield Marijke mij tegen.

‘Als jullie weggaan, kies je ervoor om deze band los te laten,’ zei ze.

Ik keek naar het huisje, naar de blauwe luiken en de tafel waar onze kinderen vroeger tekeningen maakten. Toen keek ik naar haar.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik kies ervoor mezelf niet kwijt te raken om jou vast te houden.’

We zijn nu drie maanden thuis. Er is geen bericht gekomen, behalve een korte kaart van Kees: “We hopen dat jullie innerlijke rust vinden.” Henk wilde hem verscheuren. Ik heb hem in de la gelegd.

Soms denk ik dat ik harder had moeten proberen. Maar moet liefdevolle vriendschap voelen als een toelatingsexamen? En wanneer wordt meebewegen eigenlijk jezelf verloochenen?