Na veertig jaar vriendschap zette één uitje alles in brand: moesten wij buigen voor zijn nieuwe regels of eindelijk nee zeggen?
‘Dus jij bestelt dat echt?’ zei Henk hardop, terwijl hij naar mijn bord wees alsof er iets smerigs op lag.
Het terras viel niet stil, maar voor mij voelde het wel zo. De bitterballen die ik net had besteld, leken ineens loodzwaar op tafel te staan. Naast me zag ik mijn vrouw Marjan haar hand terugtrekken van haar glas witte wijn. Aan de overkant keek Els strak naar haar servet. Alleen Kees, de ober, deed nog normaal. Die vroeg droog: ‘Ook mosterd erbij?’
Ik ben zestig. Henk ook. Onze vrouwen ook. We kennen elkaar sinds de jaren tachtig, toen we nog in rijtjeshuizen woonden met lekkende kozijnen en kinderen die overal voetbalplaatjes lieten slingeren. Vrijdagavond aten we om en om bij elkaar. Stamppot, lasagne, saté, wat er maar op tafel kwam. We gingen elk jaar samen weg. Drenthe, Zeeland, een keer een natte camping in Frankrijk waar we nog steeds om lachten.
We waren niet gewoon bevriend. We waren elkaars vaste grond.
Tot Henk met pensioen ging.
In het begin leek het nog onschuldig. Hij had eindelijk tijd om te lezen, zei hij. Documentaires te kijken. Na te denken over ‘hoe we leven’. Prima, dacht ik. Iedereen zoekt iets als werk wegvalt. Maar binnen een paar maanden was hij veranderd in iemand die overal regels aan hing.
Geen vlees meer. Geen zuivel. Geen vliegenreizen. Geen nieuwe kleding van ‘foute ketens’. Geen gesprekken meer over voetbal, want dat was volgens hem opium voor de massa. Zelfs onze oude gewoonte om op vrijdag een kaasplankje neer te zetten, werd opeens een moreel probleem.
‘Ik kan daar gewoon niet meer aan meedoen, Rob,’ zei hij een keer in mijn keuken, terwijl Marjan nog met de brie in haar handen stond. ‘Als je weet wat jij nu weet, kun je niet doen alsof het normaal is.’
Ik zei: ‘Maar ik weet blijkbaar niet wat jij weet, Henk.’
Hij zuchtte toen. Zo’n zucht waarmee hij eigenlijk bedoelde dat ik tekort schoot.
Els werd stiller. Dat was misschien nog het ergste. Zij was altijd de warmste van ons vier. Zij maakte op vakantie de koffie als iedereen nog sliep. Zij stuurde kaartjes als er iets was. Nu keek ze vaak eerst naar Henk voordat ze iets zei. Alsof ze wilde peilen wat nog mocht.
Marjan trok het steeds slechter.
‘Ik ben toch niet ineens een slecht mens omdat ik gehaktballen maak?’ siste ze nadat ze weg waren. ‘We hebben die man door zijn burn-out gesleept, we hebben op hun kleinkind gepast, en nu doet hij alsof wij moreel achterlijk zijn.’
Ik verdedigde hem nog. Te lang, als ik eerlijk ben.
‘Hij zoekt houvast,’ zei ik. ‘Hij is zijn werk kwijt, zijn ritme, misschien zichzelf een beetje.’
Maar houvast werd dwang.
Voor ons jaarlijkse weekend in Zeeland stuurde Henk een app van bijna twee schermen lang. Alleen plantaardig eten. Geen alcohol aan tafel. Geen bezoek aan strandtenten die volgens hem ‘verkeerd ondernemerschap’ steunden. En of we tijdens het eten wilden afspreken om niet ‘relativerend’ te praten over klimaat, dierenleed en politieke verantwoordelijkheid.
Marjan legde haar telefoon neer en keek me aan.
‘Wat zijn we dan nog? Gasten in ons eigen leven?’
Ik lachte nog even. Een dom lachje. Zo van: het waait wel over.
Dat waaide dus niet over.
Op de eerste avond in Zeeland had Marjan voor zichzelf en mij kibbeling gehaald bij een kraam op de boulevard. Niet eens uit baldadigheid. Gewoon omdat we er zin in hadden. We gingen ermee op een bankje zitten, met de wind in ons gezicht, zoals we dat al jaren deden.
Henk kwam aanlopen, zag het bakje in mijn hand en bleef stokstijf staan.
‘Ongelofelijk,’ zei hij.
Ik dacht nog dat hij een grap maakte.
Dat deed hij niet.
‘Jullie nemen werkelijk nergens verantwoordelijkheid voor. En dan wel zeggen dat vriendschap belangrijk is. Vriendschap zonder waarden is gewoon gemakzucht.’
Mensen keken om. Marjan werd rood. Els fluisterde: ‘Henk, hou op.’ Maar hij ging door.
‘Nee, dit moet gezegd worden. Ik ben klaar met dat vrijblijvende gedoe. Jullie willen mij er wel bij houden, maar alleen als ik mijn mond houd over wat fout is.’
Ik voelde iets knappen. Niet luid. Juist heel rustig.
‘En ik ben klaar met dat verheven toontje van jou,’ zei ik. ‘Je praat niet met ons, Henk. Je praat op ons neer.’
Hij zette een stap naar voren. ‘Omdat jullie niet wíllen horen.’
‘Nee,’ zei Marjan ineens. Haar stem trilde, maar ze keek hem recht aan. ‘Omdat jij ons alleen nog aardig vindt als we precies worden zoals jij.’
Daar viel een stilte na waar ik nu nog kippenvel van krijg.
Els begon te huilen. Niet hard. Gewoon die stille tranen waar je je nog machtelozer door voelt. Ze zei: ‘Ik mis ons zo.’
Dat brak me bijna meer dan alles wat Henk had geroepen.
We zijn die avond apart teruggegaan naar het vakantiehuisje. Marjan en ik boven, Henk en Els beneden. Je hoorde alleen deuren en voetstappen. De volgende ochtend hebben ze hun spullen gepakt. Geen scène meer. Dat was misschien nog killer.
Bij de voordeur zei Henk: ‘Ik kan dit niet meer op deze manier.’
Ik antwoordde: ‘Nee. Ik ook niet.’
Sindsdien zijn we maanden verder. Geen vrijdagavonden meer. Geen spontane koffie. Geen appjes met foto’s van de eerste sneeuw of een mislukte appeltaart. Alleen leegte op de plekken waar altijd iets vanzelfsprekend was.
Soms denk ik dat we harder ons best hadden moeten doen. Dat ouder worden ook betekent dat je met elkaar mee moet bewegen, hoe lastig ook. Maar soms denk ik ook: als vriendschap alleen mag bestaan onder voorwaarden, was het dan nog vriendschap?
Ik mis hem. Ik mis hen. En toch weet ik nog steeds niet of ik sorry moet zeggen, of juist blij moet zijn dat we eindelijk een grens hebben getrokken.
Zeg het maar: hoe ver ga je om een oude vriendschap te behouden?
Wanneer wordt begrip gewoon jezelf kwijtraken?