Na veertig jaar samen op vakantie zei ik voor het eerst nee, en ineens leek onze vriendschap nergens meer op
“Nee, hoor, dat hotel gaan we echt niet doen,” zei Marjan, terwijl ze met haar wijsvinger op haar tablet tikte alsof de zaak daarmee af was. “Te klein, te simpel, en bovendien te ver van het centrum. We zijn toch geen rugzaktoeristen meer?”
Ik zat aan mijn eigen eettafel. De glazen stonden nog halfvol. De kaasblokjes waren zacht geworden. En ik voelde me opeens een logé in mijn eigen huis.
“Ik vond het juist wel mooi,” zei ik nog. Niet hard. Meer alsof ik mezelf even wilde testen op bestaan.
Marjan keek niet eens op. “Ja, maar jij zegt altijd dat iets wel mooi is, Els. Iemand moet gewoon knopen doorhakken.”
Er werd gelachen. Ook door mijn man, Henk.
Dat lachje van hem. Klein, ongemakkelijk, maar voor mij klonk het als verraad.
Wij kennen Marjan en Kees al sinds begin jaren tachtig. Onze kinderen zaten tegelijk op zwemles, we vierden oud en nieuw samen, stonden op elkaars verjaardagen, in ziekenhuizen, op begrafenissen. Toen Henk zijn baan kwijtraakte in de jaren negentig, leende Kees ons geld zonder gedoe. Toen Marjan borstkanker had, reed ik haar naar bestralingen. We waren niet zomaar vrienden. We waren vergroeid.
En elk jaar gingen we samen op vakantie. Eerst met tenten in Zeeland, later een huisje in Drenthe, daarna stedentrips, Toscane, de Ardennen, de Moezel. Altijd met z’n vieren. Altijd gezellig, zeiden we.
Maar gezellig is een verraderlijk woord. Soms betekent het gewoon dat één iemand bepaalt en de rest geen scène maakt.
De laatste jaren verschoof er iets. Marjan werd stelliger. Misschien omdat Kees stiller werd. Misschien omdat Henk conflicten haat. Misschien omdat ik te vaak dacht: laat maar, voor de sfeer. Voor je het weet ben je degene die altijd laat maar zegt.
Na die avond ruimde ik zwijgend de glazen op.
Henk bleef bij de tafel zitten. “Je trok wel een gezicht, Els. Dat was nergens voor nodig.”
Ik draaide me om. “Nergens voor nodig? Ze walst overal overheen. Zelfs hier. In mijn huis.”
Hij zuchtte al voordat ik was uitgesproken. “Ach kom op. Zo is Marjan gewoon. Dat weten we toch? Waarom moet jij daar ineens zo moeilijk over doen?”
“Ineens?” Ik hoorde mijn stem trillen. “Henk, ik doe dit al járen niet moeilijk. Dat is juist het probleem.”
Hij haalde zijn schouders op. “Als we nu op onze leeftijd nog ruzie gaan maken over vakanties…”
Daar ging het dus mis. Alsof het om een vakantie ging.
Een week later stuurde Marjan in de groepsapp de bestemming voor volgend jaar: Egypte. Een resort aan de Rode Zee. Alles was al uitgezocht. Vluchten, kamers, excursies, schema’s. Ze had zelfs al bedacht op welke dagen we “vrij” konden hebben.
Mijn maag draaide om. Ik ben één keer in mijn leven in een all-inclusive resort geweest, op Gran Canaria, en ik voelde me opgesloten tussen handdoeken, buffetten en geschreeuw bij het zwembad. Daarbij heb ik een hekel aan die hitte. Dat opgelegde niksen. Dat georganiseerde plezier. En Egypte trok me al helemaal niet. Te massaal, te warm, te ver buiten alles waar ik rust in vind.
Ik appte niet meteen terug. Henk wel.
“Ziet er top uit!”
Ik staarde naar dat bericht alsof het van een vreemde kwam.
Die avond zei ik: “Ik ga niet mee.”
Henk keek op van de krant. “Doe normaal.”
“Ik ben normaal. Ik ga niet mee naar Egypte.”
“Dan ga je toch gewoon voor ons? Voor de gezelligheid. Tien dagen maar.”
Voor ons. Niet voor mij.
“Waarom is het altijd mijn taak om mee te buigen?” vroeg ik. “Waarom moet ik steeds slikken zodat alles soepel blijft lopen?”
Hij legde de krant neer, eindelijk. “Omdat niet alles altijd om jou kan draaien.”
Dat kwam hard aan. Zo hard dat ik even niks zei.
Na veertig jaar samen had ik heel wat van hem verdragen, en hij van mij ook, laten we eerlijk zijn. Maar dit voelde klein. Alsof mijn grens een hinderlijke hobby was.
Ik heb Marjan de volgende ochtend gebeld. Mijn handen trilden echt, kinderachtig bijna.
“Marjan, ik wil niet mee naar Egypte.”
Stilte.
Toen: “Pardon?”
“Ik trek dat soort vakanties niet. Ik wil het niet meer wegdrukken.”
Ze lachte kort. Geen vrolijke lach. “Maar Els, dit is toch juist heerlijk? Nergens aan denken. Alles geregeld. Ook voor jou.”
“Dat is precies het punt,” zei ik. “Alles is altijd geregeld. Door jou.”
Het bleef weer stil.
“Dus nu ben ik de boeman? Na al die jaren dat ik alles organiseer? Omdat niemand anders het doet?”
Daar had ze ergens gelijk in, en toch ook niet. Dat maakte het zo rot.
“Ik zeg niet dat je verkeerd bent,” zei ik. “Ik zeg dat ik mezelf kwijt ben geraakt in hoe wij het doen.”
Die middag belde Kees met Henk. Daarna hing er hier thuis zo’n kille spanning waar je bijna je jas voor aan wilt trekken.
“Ze zijn echt gekwetst,” zei Henk. “Ze snappen er niks van. En eerlijk? Ik ook niet meer.”
“Omdat ik een keer nee zeg?”
“Omdat je van iets kleins iets groots maakt.”
Ik keek hem aan en dacht: nee, Henk. Het is andersom. Iets groots is al jaren klein gemaakt.
Twee dagen hebben we langs elkaar heen geleefd. Gewoon koffie gezet, boodschappen gedaan, “wil jij ook een gekookt eitje?” gezegd alsof we figuranten in ons eigen huwelijk waren.
Op de derde avond ging hij naast me op de bank zitten. Niet te dichtbij. Dat deed bijna meer pijn.
“Als jij echt niet wilt, dan ga ik ook niet,” zei hij.
Ik voelde geen opluchting. Alleen verdriet. “Maar wil je dat ook?”
Hij wreef over zijn knie, zoals hij doet als hij nerveus is. “Ik wil geen gedoe. Maar ik wil jou ook niet kwijt in iets wat gezellig zou moeten zijn. Misschien heb ik te lang gedacht dat aanpassen hetzelfde was als rekening houden met elkaar.”
Dat was het eerste eerlijke wat hij erover zei.
We zijn nog niet klaar, hoor. Marjan heeft sindsdien amper contact gezocht. Kees stuurde één berichtje: “Jammer dat het zo moet.” Alsof ik iets kapot heb gemaakt wat al scheef hing.
Misschien bén ik laat. Misschien had ik dit tien jaar eerder moeten zeggen. Maar is laat hetzelfde als fout?
Wanneer ben je meegaand, en wanneer lever je jezelf stukje bij beetje in zonder dat iemand het doorheeft, zelfs jij niet?