Karma in Gang Vijf: Een Drama in de Supermarkt

‘Mark, waarom moet jij altijd de duurdere muesli pakken?’ Mijn stem trilde, half gefluisterd, toch goed hoorbaar tussen de schappen in de supermarkt. Zijn ogen schoten naar mij, geërgerd, alsof ik een kind was dat met zijn geld speelde. ‘Omdat die gewoon lekkerder is, Sarah. Kom op, het is twee euro verschil. Wil je nu echt daarover beginnen?’

Ik zuchtte, draaide mijn ring om mijn vinger en voelde mijn wangen warm worden. Ik wist dat het niet om die verdomde muesli ging. Het was altijd wat—de timing, het geld, of gewoon het feit dat hij nooit echt luisterde als ik iets zei. Als ik heel eerlijk was, voelde ik me al een tijd als een overblijfsel uit een oud boodschappenlijstje in zijn leven. ‘Het gaat niet altijd maar om geld, Mark,’ probeerde ik zachtjes, niet in staat mijn gekwetste toon te verbergen. ‘Het gaat om respect. Er is niks mis met die van het huismerk.’

Hij lachte snuivend. ‘Sarah, alsjeblieft, niet wéér deze discussie. Waarom moet alles altijd zo zwaar bij jou? Het is muesli!’

We stonden daar, een nietszeggend stel in een nietszeggend supermarktgangpad, maar onder het felle TL-licht bruisde de spanning. Achter ons rommelde een oudere vrouw met haar karretje. Ik hoorde haar zachtjes mompelen: ‘We mogen wel doorlopen, hoor.’

Ik voelde een traan prikken. Niet van verdriet, maar van pure frustratie. Mijn blik dwaalde even af over zijn stevige schouders en korte, lichtgrijze haar. Vroeger vond ik dat stoer; nu leek het me plotseling een muur waar ik al jaren tegen aan liep.

‘Hier, pak wat jij wilt. Ik loop wel vast naar de zuivel,’ zei ik koeltjes en draaide me om. Mark zei niets, maar ik zag hem in mijn ooghoek zijn lippen tuiten, zijn blik als een schicht in mijn rug. Wat een team waren we ook — om elk ingrediënt het halve gangpad volpraten en toch, op de een of andere manier, alles altijd half vergeten.

Ik dwaalde langs de belegen kaas en humus, probeerde mijn ademhaling te beheersen. Zou iemand doorhebben dat we net ruzie hadden? Hoeveel stellen liepen zo als wij? Het leven met Mark leek de laatste maanden op lauwe koffie: doordeweeks, voorspelbaar, en soms bitter op onverwachte plekken.

Plots hoorde ik mijn naam. Niet de zachte variant die Mark altijd gebruikte, maar een scherpe, venijnige. ‘Sarah van Dijk? Ben jij dat echt?’

Het was alsof een koude windvlaag door het filiaal streek. Ik draaide me om en keek recht in het bleke, onuitstaanbare gezicht van Linda de Groot. Linda, met wie ik op de middelbare school nog Spaans moest samenwerken. Linda, die destijds met mijn eerste vriendje zoende tijdens een klassenfeest en die haar hele leven scherpe opmerkingen spuwde als pijltjes uit een dartbord.

‘Linda… wat een verrassing. Hier in de Appie,’ wist ik uit te brengen, glimlachend door mijn pijnlijke herinneringen heen.

Linda liet haar ogen goedkeurend over me heen glijden. ‘Getrouwd met Mark van Dijk, toch? Ik zag wel eens wat op Facebook, maar je deelt niet zoveel meer. Bijzonder… Nog steeds gelukkig?’

Mijn hart bonsde. Linda’s blikken braken door elk masker van zelfverzekerdheid. ‘Ja hoor,’ probeerde ik luchtig, ‘we moesten even snel de voorraad inslaan, weet je hoe het gaat.’

Toen keek Linda me recht aan, een licht spottend glimlachje op haar gezicht. ‘Toevallig, ik kom mark weleens tegen bij de tennisvereniging. Echt een gezellige man, hoor. Maar… soms schijnt het gras aan de overkant groener dan het is, hè?’

Ik voelde een steek in mijn maag. Had Mark met haar gepraat? Was er iets wat ik niet wist? De twijfel borrelde op — misschien was dat waarom hij de laatste tijd meer ‘overtime’ draaide, of wat afwezig leek. Alles draaide plots in mijn hoofd; de late thuiskomsten, het gezeur over kleine dingen, het gebrek aan aanraking. Ik wist dat Linda het kon ruiken als bloed in het water.

‘Tja,’ kaatste ik terug, terwijl ik nerveus een pak melk beetpakte, ‘iedereen zoekt wat geluk, toch?’

Ze boog haar hoofd dichter bij, fluisterde: ‘Wees niet boos hoor, maar soms wens ik dat ik weer zo’n degelijk huwelijk had als dat van jullie. Maar ja, bij ons liep het ook niet goed af. Ach, het leven is vol verrassingen. Tot ziens, Sarah.’

Ze liep weg met haar kar, precies net vlot genoeg dat ik haar niet kon inhalen, net langzaam genoeg dat haar woorden als mist op mijn huid bleven plakken. Daar stond ik, stijf en onzeker, met knikkende knieën en handen die trilden.

Toen kwam Mark aangelopen, nonchalant, met — natuurlijk — de dure muesli in zijn mandje. ‘Ik zag Linda net. Is ze nog steeds zo onaangenaam?’

Er klonk iets te veel luchtigheid in zijn stem, alsof hij hoopte dat ik niet doorvroeg. Mijn achterdocht was gewekt. ‘Was je op de hoogte dat zij nog hier woont? Ze zei je wel eens tegen te komen.’

‘Ach, ja, laatst bij de club. Weet je… die tennisavond, toen jij bij je moeder was,’ zei hij, nu toch een tikje ongemakkelijk.

‘Je zei toen dat je met Robbier had gespeeld.’ Mijn stem was zacht, maar scherp.

‘Robbie moest afzeggen en toen stond zij er ineens. Wat maakt dat nou uit, Sarah?’

Het was alsof de eenheid tussen ons als een natte papieren zak uit elkaar viel. We liepen zwijgend, het grote winkelpad over naar de vriesafdeling, toen Linda, als door het lot gestuurd, opeens terugdraaide en luidkeels riep: ‘Sarah! Mag ik je iets vragen — vertrouw je Mark nog, nu hij zoveel werkt? Sommige mannen veranderen niet, weet je?’

Meerdere hoofden draaiden onze kant op. Ik voelde mijn gezicht branden van schaamte en vernedering, maar Mark stak zijn kin in de lucht en grijnsde geforceerd. ‘Laat haar toch, ze is altijd een roddeltante geweest.’

Maar iets in zijn blik vertelde me meer. We liepen verder en passeerden de diepvriespizza’s. Ik nam niet eens de moeite om mijn tranen te bedwingen. Ik stopte abrupt en keek hem aan: ‘Mark, vertel oprecht. Moet ik me zorgen maken?’

Hij staarde naar zijn schoenen, jaren van samenzijn samengebald in die ene stilte. ‘Sarah, er is niets gebeurd met haar,’ zei hij uiteindelijk. ‘Maar ik… ik weet het gewoon niet meer. Ik voel me leeg, moe. Wij zijn alleen nog maar partners in logistiek. Geen liefde, geen spanning meer.’

Mijn tranen stroomden. Daar, bij de vissticks en doperwten, voelde ik alles waar ik voor had gevochten uit mijn handen glippen. ‘En ik dan, vind je het vreemd dat ik nooit meer gelukkig ben thuis? Alles draait telkens om de routine—nooit meer dromen, nooit meer jij en ik samen tegen de rest van de wereld!’

Andere klanten draaiden zich om. Ik zag het niet eens meer. De supermarkt werd kleiner, de schappen bogen zich naar binnen.

‘Ik ben kapot,’ fluisterde ik. ‘En ik denk dat jij het ook bent. Misschien zijn we dat al langer dan we willen toegeven.’

Hij kneep in mijn arm, voor het eerst in maanden echte angst in zijn blik. ‘Sarah, zullen we proberen het te redden? Of moet ik hier eerlijk zijn, en gewoon zeggen dat ik bang ben dat het te laat is?’

Op dat moment gleed mijn blik over de tijdschriftrekken. Een meisje van een jaar of zes stond naast ons, in een prinsessenjurk. Ze keek naar mij, naar onze tranen, en vroeg: ‘Mama, waarom huilt die mevrouw?’

Haar moeder trok haar snel weg. ‘Kom, sommige mensen maken nu eenmaal ruzie, schatje.’

Ik lachte, licht hysterisch. Mark keek me hulpeloos aan. ‘Dit moet anders kunnen, toch?’ vroeg hij.

‘Misschien niet,’ antwoordde ik, mijn schouders zwaar van woorden die nooit gezegd waren. ‘Misschien krijgen we wat we verdienen. Karma, hier in gang vijf. En misschien… zijn we gewoon niet meer samen bedoeld.’

We liepen zwijgend richting kassa. Achter ons echo’de Linda’s gelach als een spook in mijn oor. Ik vroeg me af hoe ze daar kon staan, zo triomfantelijk. Maar het ergste was: Mark had het niet weerlegd. Niets meer. Geen enkele geruststelling, geen poging meer om ons samen te houden.

Thuis, met boodschappentassen die nog net niet scheurden, keek ik hem aan. ‘Wat nu? Gaan we alles kapot laten gaan tussen de hagelslag en de diepvrieserwten?’

Het besef sloop als een inktvlek in mijn gedachten. Soms draait het leven niet op drama, maar op die kleine, alledaagse wonden. Menselijk falen, tussen de muesli en de melk.

Misschien is het echte lot wel dat je elkaar verliest precies op het moment dat niemand oplet.

Wat zouden jullie doen? Lijkt het bezit van oude, niet-ingeloste pijn misschien wel op die boodschappenbon: altijd ergens bewaard, en precies op het verkeerde moment van pas komen?