Wat als een hond je nog één kans op verzoening geeft?

Figo gleed van de stoep, zijn lichtbruine poten slippend over de tegels van de natte Zoutmanstraat in Den Haag, en voor ik “nee!” kon roepen was hij al tussen de opgefokte forensauto’s verdwenen. Mijn handen trilden toen ik zijn lijn in de plassen zag liggen, de geur van zijn warme, ongeduldige lijf nog vers in mijn jasvezels. Weer die regen, elke ochtend sinds papa’s begrafenis, met de wind die als straf voelde. Figo was pas drie maanden bij me. Hij kwam uit het asiel van Wateringen, nadat mam me eruit had gezet—na die laatste ruzie over geld en oude verwijten. Dit was het beginpunt van alles dat niet meer terug te draaien viel: de breuk met mijn moeder, mijn keuze voor een kleinere, goedkopere etage in een anonieme straat, en mijn plotselinge angst om zelfs een hondje te verliezen.