Oude Vriendschap Roest Niet… Of Toch Wel?
‘Dus… hoe gaat het nu echt met je, Marije?’ Mijn stem trilde licht, terwijl ik haar karretje zag volgeladen met biologische groenten en een fles dure wijn. We stonden midden in het gangpad van de Albert Heijn, tussen de pakken melk en de schappen met ontbijtgranen. Het was een onverwachte ontmoeting, na maanden radiostilte. Mijn hart bonsde in mijn borstkas, want ik had haar gemist. Echt gemist.
Ze keek me nauwelijks aan, haar ogen schoten over mijn gezicht, langs mijn jas, naar de boodschappen in mijn mandje. ‘Druk, druk, druk,’ zuchtte ze, haar mondhoeken naar beneden getrokken. ‘Werk, de kinderen, je weet wel. Ik heb net promotie gemaakt, dus alles is een beetje hectisch. Gisteren nog tot elf uur op kantoor gezeten. En dan thuis, tja, dan begint het pas.’
Ik knikte, probeerde haar blik te vangen. ‘Dat klinkt zwaar. Maar…’
Ze onderbrak me, haar stem ineens enthousiast. ‘Maar goed, ik mag niet klagen! Mijn baas is eindelijk tevreden, en Joris—je weet wel, mijn oudste—die heeft zijn zwemdiploma gehaald. Echt een opluchting, want hij was zo bang voor het diepe. En Emma, die is nu helemaal into hockey. Elke zaterdag sta ik weer langs de lijn, regen of geen regen. Je kent het wel, hè?’
Ik glimlachte flauwtjes. Natuurlijk kende ik het niet. Mijn leven was zo anders. Geen kinderen, geen promotie, geen partner die me thuis opwachtte. Alleen mijn kat, een oude Perzische kater die meer snurkte dan miauwde. Ik wilde haar vertellen over mijn ontslag, over de avonden dat ik alleen op de bank zat, Netflix aan, chips op schoot. Maar ze gaf me geen ruimte.
‘En jij?’ vroeg ze, maar haar blik dwaalde alweer af naar haar telefoon, die trilde in haar jaszak. ‘Alles goed?’
Ik slikte. ‘Nou, eigenlijk…’
‘Oh wacht, sorry, ik moet even deze app beantwoorden. Het is van het werk. Je weet hoe dat gaat.’ Ze draaide zich half van me af, haar vingers razendsnel over het scherm. Ik stond daar, met mijn mandje, tussen de mensen die langs ons heen liepen, en voelde me kleiner worden. Alsof ik onzichtbaar was.
Toen ze haar telefoon weer wegstopte, lachte ze kort. ‘Sorry, waar waren we? Oh ja, ik vertelde over Emma’s hockey. Weet je, laatst…’
En ze ging weer verder. Over haar man, die een nieuwe auto wilde. Over haar moeder, die geopereerd moest worden aan haar knie. Over de vakantie naar Frankrijk die ze aan het plannen waren. Ik hoorde haar stem, maar de woorden kwamen niet meer binnen. Mijn gedachten dwaalden af naar vroeger, toen we samen op het terras zaten, urenlang pratend over alles en niets. Toen ze nog vroeg hoe het écht met me ging, en ik haar alles durfde te vertellen.
‘Weet je nog, die keer dat we in de regen naar huis fietsten na dat concert?’ probeerde ik voorzichtig. ‘We waren doorweekt, maar het maakte niet uit, want—’
Ze lachte, maar het klonk hol. ‘Ja, ja, dat was wat. Maar goed, die tijd heb ik nu echt niet meer. Alles draait om plannen, schema’s, je kent het wel. Maar goed, ik moet echt door. De kinderen moeten zo uit school gehaald worden en ik moet nog koken.’
Ze gaf me een vluchtige knuffel, haar parfum bleef even hangen. ‘We moeten snel weer eens afspreken! Ik app je, goed?’
Voordat ik iets kon zeggen, was ze al weg, haar karretje ratelend over de tegels. Ik bleef achter, mijn mandje zwaar in mijn hand, mijn hart nog zwaarder.
Thuis zette ik mijn boodschappen op het aanrecht. De stilte viel als een deken over me heen. Ik dacht aan de keren dat ik haar had geappt, gebeld, gevraagd of ze tijd had voor koffie. Altijd hetzelfde antwoord: ‘Druk, sorry. Laten we het een andere keer doen.’
Mijn moeder belde. ‘En, hoe was het in de supermarkt?’ vroeg ze opgewekt.
‘Ik kwam Marije tegen,’ zei ik zacht.
‘Oh, wat leuk! Hebben jullie bijgekletst?’
Ik slikte. ‘Niet echt. Ze had het druk. Ze vertelde vooral over zichzelf.’
Mijn moeder zweeg even. ‘Soms groeien mensen uit elkaar, lieverd. Dat is niet erg. Maar het doet wel pijn.’
Ik knikte, ook al kon ze dat niet zien. ‘Ik mis haar gewoon. Of eigenlijk, ik mis wie we waren.’
Die avond zat ik op de bank, de kat op schoot, en dacht aan vriendschap. Aan hoe het kan veranderen, zonder dat je het doorhebt. Aan hoe je iemand kunt missen die vlak voor je staat.
De volgende dag kreeg ik een appje van Marije. ‘Leuk je even gezien te hebben! Sorry dat ik zo snel weg moest. We spreken snel af, beloofd!’
Ik staarde naar het scherm. Zou ik antwoorden? Of zou ik wachten tot zij echt tijd voor me maakte? Was het de moeite nog waard om te blijven proberen? Of moest ik accepteren dat sommige vriendschappen gewoon verwateren, hoe hard je ook je best doet?
Misschien is het tijd om los te laten. Maar waarom voelt dat dan als falen? Hebben jullie dat ook wel eens gevoeld, dat je iemand mist die er eigenlijk niet meer voor je is?