Mijn schoonmoeder woont vier straten verderop, maar is elke dag bij ons — en ik zoek inmiddels uit of ik ergens anders kan wonen
Ik heb vorige week voor het eerst mijn inkomen ingevuld op een website voor huurwoningen. Niet ons inkomen. Alleen het mijne.
Er bleven drie woningen over. Eén was een kamer waarbij stond dat inschrijven niet mogelijk was. Ik heb mijn laptop dichtgedaan en ben naar beneden gegaan om pasta te koken. Mijn schoonmoeder stond al bij het fornuis.
‘Ik heb er maar wat gehakt bij gehaald. Alleen groente vult niet zo voor Daan.’
Ik had niet eens meer de energie om te zeggen dat er linzen in de saus gingen.
Mijn schoonmoeder heet Ria. Ze woont vier straten verderop, in een appartement waar ze na het overlijden van mijn schoonvader naartoe is verhuisd. Dat was drie jaar geleden. Wij waren oprecht blij dat ze dichterbij kwam wonen. Mijn man Erik ging daarvoor ieder weekend naar haar toe om iets op te hangen, administratie uit te zoeken of gewoon koffie te drinken. Nu kon dat makkelijker tussendoor.
En voor onze zoon Daan, die inmiddels zeven is, was het fijn. Oma om de hoek. Ze kent zijn vriendjes, onthoudt wanneer hij gym heeft en gaat zonder mopperen een uur naast een koud voetbalveld staan.
Dat wil ik wel gezegd hebben. Ze is geen slechte oma.
Ik werk als zelfstandig illustrator, vooral voor lesmateriaal en educatieve uitgevers. Geen enorm inkomen, wel een bedrijf dat ik in acht jaar heb opgebouwd. Sommige maanden verdien ik meer dan Erik, andere maanden aanzienlijk minder. Hij werkt als planner bij een transportbedrijf en heeft vaste uren.
Toen Daan naar school ging, spraken we af dat Ria hem op dinsdag en donderdag zou ophalen. Ik kon dan doorwerken tot halfzes. Het eerste jaar was ik daar vooral dankbaar voor.
Ik weet niet precies wanneer die twee middagen veranderden in vrijwel iedere dag.
Ze kwam een keer was brengen die ze had meegenomen. Ze had soep over. Ze was toch langs de bakker geweest. Soms zat ze om kwart over negen al aan onze keukentafel terwijl ik boven een overleg had.
Als ik beneden koffie kwam halen, vroeg ze of ik al bijna klaar was met mijn tekenwerk.
‘Nee, ik werk tot drie uur.’
‘O, ik dacht, je zit toch gewoon thuis.’
Zo opgeschreven klinkt het klein. Dat is ook wat Erik steeds zegt. Het zijn losse opmerkingen. Daar hoef je toch geen ruzie over te maken.
Maar het bleef niet bij opmerkingen.
Ze haalde de lakens van ons bed omdat ze vond dat die wel weer konden. Ze ruimde mijn stapeltjes post op. Ze belde naar boven dat Daan best op de tablet mocht, terwijl ik net had gezegd dat hij eerst zijn leeswerk moest doen.
Een keer hoorde ik hem zeggen: ‘Oma zegt dat jij altijd moeilijk doet als je moet werken.’
Ik ben toen veel te fel tegen hem geweest. Niet schreeuwen, maar wel zo kortaf dat hij begon te huilen. Daarna zat ik op zijn bed mijn excuses aan te bieden voor iets wat hij alleen maar had herhaald.
Die avond zei Erik dat zijn moeder het waarschijnlijk anders had bedoeld.
Dat woord, waarschijnlijk, komt bij ons vaak voorbij. Zijn moeder bedoelt iets waarschijnlijk goed. Ik ben waarschijnlijk moe. Morgen kijken we er waarschijnlijk anders naar.
Ik heb trouwens ook een tijd meegedaan aan het idee dat mijn werk minder zwaar telde. Als Daan ziek was, schoof ik mijn afspraken op. Als Ria naar de opticien moest, reed ik. Ik zei zelf: ik kan mijn uren makkelijker indelen.
Alleen werd makkelijker indelen op den duur hetzelfde als beschikbaar zijn.
In februari had ik een grote oplevering. Ik had Erik en Ria de week ervoor verteld dat ik drie dagen echt niet gestoord kon worden tijdens schooltijd. Op woensdag kwam Ria toch. Ze had een kastje gezien bij de kringloop en wilde weten of dat iets voor onze overloop was.
Ik deed de deur van mijn werkkamer open en zei dat het nu niet uitkwam.
‘Je hoeft niet zo te snauwen. Ik kom je iets leuks laten zien.’
Ze bleef onderaan de trap staan. Ik bleef boven staan. Uiteindelijk heb ik gezegd dat ze naar huis moest gaan.
Toen Erik thuiskwam, wist hij het al.
‘Ze stond te huilen bij de Albert Heijn, weet je dat?’
Nee, dat wist ik niet. Ik had die middag ook zitten huilen, maar dat klonk kinderachtig om ertegenover te zetten.
We hebben die avond voor het eerst het woord scheiden gebruikt. Ik gebruikte het. Erik keek naar me alsof ik expres iets kapotmaakte.
‘Omdat mijn moeder af en toe langskomt?’
Ik heb geprobeerd uit te leggen dat ik nauwelijks nog wilde afdalen voor koffie. Dat ik eerst luisterde of ze beneden was. Dat ik in mijn eigen keuken toestemming leek te moeten vragen voor wat we aten en hoe laat Daan naar bed ging.
Hij zei dat zijn moeder nu eenmaal zo was. Dat ik dingen persoonlijk maakte die niet persoonlijk bedoeld waren.
‘En jij bent de laatste tijd ook wel erg gevoelig.’
Daarna wist ik even niets meer te zeggen.
We hebben ook goede avonden, Erik en ik. Dat maakt het verwarrend. Vorige zaterdag heeft hij mijn fietslamp gerepareerd en hebben we samen gelachen om een ontzettend slechte film. Dan denk ik dat ik overdrijf. Tot hij op zondag zijn moeder uitnodigt voor het eten zonder het te vragen, terwijl we net hadden afgesproken dat ik een dag niemand om me heen wilde.
Ik heb inmiddels een kennismakingsgesprek met een mediator gepland. Erik weet het. Hij wil mee, maar noemt het ‘dat gesprek om alles even op een rij te zetten’.
Misschien is dat het ook. Ik weet nog niet of ik wil scheiden. Ik weet wel dat ik niet nog een jaar op deze manier wil leven.
Een vriendin heeft aangeboden dat ik een paar nachten bij haar kan slapen. Ze heeft geen extra slaapkamer, alleen een bank en een kat waar ik een beetje allergisch voor ben. Ik heb nog niet toegezegd. Daan heeft volgende week een spreekbeurt en ik help hem met plaatjes van roofvogels. Het voelt raar om ondertussen een tas te pakken.
Ria vroeg gisteren of ik boos op haar was. We stonden in de gang, met Daan vlak achter haar.
Ik zei dat ik dat liever een andere keer wilde bespreken.
‘Ik weet gewoon niet meer wat ik nog goed kan doen,’ zei ze.
Ik zag dat ze het meende. Ik wilde haar bijna geruststellen. Zeggen dat het wel meeviel.
In plaats daarvan heb ik gevraagd of ze donderdag alleen Daan van school wilde halen en daarna naar haar eigen huis wilde gaan. Ik zou hem daar om halfzes ophalen.
Ze zei ja. Wel wat kort, maar ze zei het.
Voor donderdag heb ik nu een deadline in mijn agenda staan. En voor vrijdag het gesprek met de mediator. Ik heb Erik gevraagd zelf vrij te regelen. Hij heeft nog niet geantwoord.