Ik deed tegenover mijn klasgenoten alsof ik mijn oma nauwelijks kende — een paar weken later durfde ik zelf niet meer naar school
Het ergste was niet dat ik zei dat mijn oma weg moest. Het ergste was dat ze eerst nog dacht dat ik een grapje maakte.
Ze lachte, een beetje onzeker, met dat zakje krentenbollen nog in haar hand. Ik zie vooral haar duim voor me. Die zat door het hengsel heen en ze draaide dat plastic steeds verder om haar vinger.
Ik was zestien. Dat zeg ik niet om het goed te praten, maar omdat ik toen werkelijk dacht dat drie meiden uit mijn klas konden bepalen of er iets mis met mij was.
Mijn oma heette Hennie. Ze woont nog steeds in dezelfde flat in Zwolle, met zo’n galerij waar je in de winter bijna wegwaait. Vroeger sliep ik bijna iedere vrijdag bij haar. Mijn moeder werkte in de zorg en na de scheiding draaide ze geregeld avonddiensten.
Bij oma mocht ik op de bank eten. Ze knipte mijn boterhammen in vieren, ook toen ik daar eigenlijk te groot voor was. Als ik ziek was, kwam ze met een tas boodschappen en vroeg ze niet eerst hoe lang ze moest blijven.
Maar ergens rond mijn veertiende begon ik me aan haar te ergeren.
Aan haar jas met die grote knopen. Aan haar haren, die ze zelf verfde en die soms een beetje paars uitsloegen. Aan hoe hard ze praatte bij de kassa en dat ze zomaar aan iemand vroeg of die een fijne dag had gehad.
Ze noemde mijn vriendinnen ‘de meisjes’. Ze vroeg of een jongen uit mijn klas ‘verkeringmateriaal’ was. Ik kon daar thuis nog wel om lachen. Waar anderen bij waren, kreeg ik het er warm van.
In mijn examenjaar ging ik veel om met Fleur, Isa en Noa. Vooral Fleur vond ik belangrijk. Ze kon heel lief zijn, maar je wist nooit wanneer er iets aan je niet goed was. Je schoenen. Je profielfoto. Hoe je een bepaald woord uitsprak.
Ik deed daaraan mee. Dat moet ik er wel bij zeggen. Ik stuurde ook weleens een lachende emoji als ze iemand belachelijk maakten.
Die vrijdag gingen we voor school naar Museum de Fundatie. Daarna mochten we in groepjes de stad in om iets te eten, zolang we om half twee terug waren bij de docent.
Oma wist dat. Ik had het de dag ervoor verteld toen ze belde. Blijkbaar had ik ook gezegd dat ik geen lunch had klaargemaakt.
We stonden met z’n vieren buiten een broodjeszaak toen ze eraan kwam. Ze liep op haar makkelijke schoenen en had haar boodschappentrolley bij zich. Boven op haar hoofd zat haar leesbril.
‘Daar heb je d’r,’ zei ze. ‘Ik dacht al, ik zal eens kijken. Hier, kunnen jullie samen delen.’
Ze hield die krentenbollen omhoog.
Fleur keek naar mij.
‘Is dat jouw oma?’
Er zat nog niet eens iets gemeens in haar stem. Misschien was dat later ook helemaal niet gekomen als ik gewoon ja had gezegd.
‘Ja, nou, ik zie haar bijna nooit,’ zei ik.
Oma keek me aan.
Dat klopte niet. De zondag ervoor had ik nog bij haar gegeten.
‘Je hoeft hier niet te komen hoor,’ zei ik. ‘We zijn met school.’
‘Dat weet ik toch? Ik was toch in de stad.’
Isa begon te lachen. Om wat, weet ik niet meer. Ik hoorde het en werd nog onaardiger.
‘Doe nou niet zo ongemakkelijk. Ga maar gewoon.’
Oma lachte even. Toen keek ze naar de andere meiden en begreep ze dat ik het meende.
Ze zei alleen: ‘O. Nou. Dan niet.’
Het zakje verdween in haar trolley. Ze liep weg voordat ik iets anders kon zeggen. Fleur trok me aan mijn mouw omdat onze broodjes klaar waren.
Ik ging mee naar binnen.
Die avond belde oma niet, terwijl ze meestal vroeg hoe zoiets was geweest. Ik belde haar ook niet. Ik legde mijn telefoon onder mijn dekbed, alsof ik daardoor niet steeds hoefde te kijken.
Op zondag zei mijn moeder dat oma geen zin had in bezoek.
‘Wat is er in de stad gebeurd?’ vroeg ze.
Ik zei dat oma weer overdreef. Daar schaam ik me misschien nog wel het meest voor: dat ik haar thuis ook nog de schuld gaf.
Het gedoe met de meiden begon een paar weken later. Niet ineens, en ook niet omdat ik voor iemand was opgekomen of zo. Ik had een spraakbericht gestuurd over een jongen die ik leuk vond. Fleur stuurde het door.
In de klas deden mensen mijn stem na. Vooral het stukje waarin ik zei dat ik dacht dat hij misschien ook naar mij keek.
Eerst lachte ik mee. Daarna vroeg ik of ze wilden stoppen. Toen was ik blijkbaar degene die nergens tegen kon.
Er kwam een groepsapp zonder mij. Bij gym bleef mijn tas een keer boven op de kast liggen. Niemand wist wie dat had gedaan. Noa stuurde me ’s avonds nog huiswerk, maar op school schoof ze geen stoel voor me vrij.
Ik zei thuis dat ik buikpijn had. Dat was niet eens gelogen.
Mijn mentor sprak met ons, waarna het zichtbare gedoe minder werd. Alleen stond ik nog steeds alleen in de pauze. Ik begon mijn brood op de wc op te eten en schaamde me daar vervolgens weer voor.
Ik wilde oma bellen. Steeds als ik haar naam op mijn scherm zag, hoorde ik mezelf zeggen dat ze gewoon weg moest gaan.
Uiteindelijk ging ik op een woensdagmiddag naar haar toe. Mijn moeder wist van niets. Ik had bij de supermarkt gevulde koeken gekocht, wat achteraf nogal kinderachtig voelde.
Oma deed open met een vaatdoek in haar hand.
‘Hé,’ zei ze.
‘Mag ik binnenkomen?’
Ze stapte opzij. Geen knuffel. Dat hadden we vroeger altijd wel gedaan.
Aan de keukentafel begon ik te huilen voordat ik mijn jas uit had.
‘Ik heb echt heel gemeen gedaan.’
Ze vouwde de vaatdoek dubbel en legde hem naast de kraan.
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat vond ik ook.’
Ik vertelde over school. Halverwege onderbrak ze me.
‘Maar als die meiden nog aardig tegen je waren geweest, was je dan ook gekomen?’
Ik zei meteen ja. Daarna zei ik dat ik het niet wist.
Dat bleef even tussen ons in liggen.
Ze pakte wel een mok voor me. Toen ik vertelde over het spraakbericht, schoof ze de doos tissues over tafel. Ze zei dat ik het mijn moeder moest vertellen en dat ik niet alleen met school moest blijven tobben.
We zijn inmiddels een paar maanden verder. Ik ga weer af en toe bij haar eten. Soms praten we makkelijk, soms ben ik overdreven behulpzaam en zegt ze dat ik niet voor iedere kop thee hoef op te springen.
Laatst vroeg ze of ik mee wilde naar de markt. Ik zei ja, maar zij had het al over iets anders voordat ik een dag kon voorstellen.
Gisteren heb ik haar nog een bericht gestuurd: zaterdag kan ik, als jij ook kunt.
Ze antwoordde vanmorgen. Half elf bij haar. Ze moest eerst nog langs de apotheek.