Onze beste vriend kwam na zijn scheiding steeds vaker eten. Mijn vrouw wilde één vaste avond, en ik noemde haar kil

Op onze kalender stonden vorige maand negen keer de letters ‘T eet mee’. Ik had ze er zelf op geschreven, meestal terwijl ik met Ton aan de telefoon zat. Pas toen Marja de kalender van de muur haalde en naast mijn bord legde, zag ik hoeveel het er waren.

‘En dit zijn alleen de keren die we van tevoren wisten,’ zei ze.

Ik vond het kinderachtig dat ze was gaan tellen. Dat heb ik ook gezegd. Daar schaam ik me nu een beetje voor, al vind ik nog steeds niet dat alles wat ze daarna zei terecht was.

Ik ben drieënzestig. Marja is tweeënzestig en sinds afgelopen voorjaar ook gestopt met werken. We hadden geen grote plannen voor ons pensioen. Wat vaker fietsen, doordeweeks naar een museum, misschien eens zonder eindeloos passen en meten een paar dagen weg. Gewoon niet steeds hoeven kijken hoe laat het was.

Ton en Els kennen we al ruim dertig jaar. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Er zijn vakanties geweest, verjaardagen, een mislukte kampeerweek in Zeeland waar we nog steeds om moesten lachen. Ton heeft mij iedere donderdag opgehaald toen ik na een knieoperatie niet mocht rijden. Marja zat bij Els in het ziekenhuis toen er iets op een scan was gezien.

Het waren geen mensen die je af en toe zag. Ze hoorden erbij.

Acht maanden geleden gingen ze uit elkaar. Voor ons kwam het onverwacht. Volgens Els had het er al jaren aan zitten komen.

Ton woont nu in een appartement boven een rij winkels. Het is niet beroerd: een lift, een balkonnetje, de supermarkt om de hoek. Maar als je er zit, hoor je de koelkast aanslaan. Verder weinig.

De eerste keer dat ik hem daar bezocht, stonden er vier pakken vla in zijn koelkast en lag er een aangebroken zak geraspte kaas. Hij maakte er een grap over. Ik heb toen gezegd dat hij bij ons altijd kon aanschuiven.

Dat meende ik.

In het begin kwam hij op woensdag. Marja maakte iets makkelijks, we dronken koffie na en soms keken Ton en ik voetbal. Op andere dagen gingen we samen naar de bouwmarkt. Zijn lampen moesten nog worden opgehangen. Daarna had hij een kastje nodig. Daarna bleek het kastje toch niet handig en moest het terug.

Dat klinkt flauw als ik het zo opschrijf. Hij deed niets verkeerd. Hij vroeg gewoon of ik meeging en ik had tijd.

Alleen ging ik daardoor niet met Marja naar de markt, hoewel we dat hadden afgesproken. En die lampen hingen op de middag waarop wij de logeerkamer zouden opruimen. Ik zei steeds: dat kan morgen ook.

Voor mij kon dat kennelijk makkelijker dan voor haar.

Ton ging Marja ook rechtstreeks appen. Of ze toch boodschappen deed. Of hij dan mee mocht. Welk wasmiddel hij moest hebben. Of zij eens naar zijn gordijnen wilde kijken, want hij kreeg die plooien niet goed.

Ze hielp hem. Soms stuurde ze mij een foto vanuit een winkel waarop Ton twee badmatten omhooghield. Ik stuurde dan een lachend gezichtje terug.

Ik had niet door dat die foto niet als grap bedoeld was.

De eerste keer dat ze zei dat het haar te veel werd, stond ik de vaatwasser in te ruimen. Ik zei dat het tijdelijk was.

‘Hoe lang is tijdelijk?’ vroeg ze.

Dat wist ik niet. Ik vond alleen dat je zoiets niet op een termijn kon zetten.

Een paar weken later zat Ton na het eten zijn agenda op zijn telefoon te bekijken. We hadden nog yoghurt op tafel staan.

‘Eigenlijk kunnen we er net zo goed maandag, woensdag en vrijdag van maken,’ zei hij. ‘Dan weet iedereen waar hij aan toe is. Dat koken voor mezelf, ik vind er echt geen donder aan.’

Ik zei iets als: ja, kunnen we bekijken.

Marja draaide haar lepel rond in haar bakje.

Toen Ton weg was, zei ze dat er niets te bekijken viel. Eén vaste avond vond ze gezellig. Drie avonden wilde ze niet. En ook niet twee vaste avonden met daarnaast steeds een uitzondering.

Ik noemde dat kil.

Niet schreeuwend. Dat maakt het misschien nog vervelender. Ik zei het alsof ik iets constateerde.

‘Die man is alles kwijt, Marja.’

‘Hij is niet alles kwijt. Hij is gescheiden. Dat is heel verdrietig, maar wij zijn er ook nog.’

Ik dacht dat ze bedoelde dat Ton ons nog had.

‘Nee,’ zei ze. ‘Jij en ik. Wij zijn er ook nog.’

Daar wist ik niets op te zeggen. Dus begon ik over die donderdagmiddagen na mijn knieoperatie. Zij zei dat ze daar heus nog dankbaar voor was, maar dat Ton toen niet iedere keer tot half elf was gebleven.

We zijn die avond apart naar bed gegaan. Niet demonstratief. Ik bleef beneden zitten omdat ik niet wist hoe ik naast haar moest gaan liggen zonder de ruzie weer op te pakken.

Wat ik haar niet had verteld: ik vond al die afspraken zelf ook prettig. Sinds ik niet meer werk, zijn sommige dagen behoorlijk leeg. Ton belt mij om half tien en dan heb ik ineens een bestemming. Koffie, een kapotte lade bekijken, samen even naar buiten.

Bij hem ben ik nuttig. Thuis ben ik iemand die vraagt waar de schone handdoeken liggen.

Dat is geen mooie bekentenis, maar het speelt mee.

Vorige week ben ik naar hem toe gegaan zonder gereedschap of boodschappentas. Ik zei dat drie avonden eten niet ging en dat Marja en ik vaker met ons tweeën wilden zijn.

Hij keek naar de televisie, die zonder geluid aanstond.

‘Vindt Marja dat?’

Ik wilde bijna ja zeggen.

‘Ik ook,’ zei ik. Het kwam er niet overtuigend uit.

Hij knikte een paar keer. Daarna zei hij dat wij niet wisten hoe lang een avond kon duren. Hij had op zondag om vier uur al zijn pyjama aangetrokken. Niet omdat hij moe was. Er kwam toch niemand meer.

Ik bleef langer dan ik van plan was.

We hebben nu woensdag afgesproken. Ton betaalde deze week de boodschappen, hoewel Marja zei dat dat niet hoefde. Hij was stiller dan anders en vertrok meteen na de koffie. Marja vroeg of hij niet nog even wilde blijven zitten. Daar werd ik bijna boos om, wat ook weer niet eerlijk was.

Voor morgen heeft hij mij gevraagd mee te gaan naar een tweedehandszaak. Ik heb ja gezegd, nadat ik in onze agenda had gekeken. Er stond niets.

Toch heb ik vanmiddag aan Marja gevraagd of zij iets had willen doen. Ze zei dat ze dat nog niet wist.

Ik heb Ton laten weten dat ik tot twaalf uur kan. Daarna heb ik twee boterhammen gesmeerd en ben ik naast haar gaan zitten. We hebben het nog niet over morgen gehad.