Ik dacht dat mijn beste vriendin er gewoon zou zijn als mijn man een jaar naar het buitenland ging
De logeerkamer staat al maanden halfvol met dozen die van Paul zijn. Wandelkaarten, een waterfilter dat nog in de verpakking zit, een oud notitieboekje met berekeningen erin. Alsof hij niet een jaar weggaat, maar een expeditie naar de Noordpool voorbereidt.
Hij gaat naar Noord-Macedonië, niet dat ik daar vóór vorig jaar ooit veel over had nagedacht. Via een stichting waar een oud-collega van hem bij betrokken is, gaat hij helpen met een project rond drinkwater in kleine dorpen. Paul was vroeger uitvoerder bij een aannemer. Hij heeft zijn hele leven geklaagd dat hij te veel achter een bureau moest zitten en te weinig met zijn handen deed. Nu hij sinds januari met pensioen is, lijkt het alsof hij eindelijk weer lucht krijgt.
Ik gun hem dat ook. Dat zeg ik er meteen bij, omdat iedereen die me hierover spreekt anders denkt dat ik hem klein wil houden.
Maar ik ben 62, heb artrose in mijn heupen en sinds een paar maanden ook gedoe met mijn rechterknie. De fysiotherapeut zegt dat ik in beweging moet blijven, wat natuurlijk waar is, maar sommige dagen is naar de Albert Heijn aan de overkant al een hele onderneming. We wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, met een trap die vroeger nergens naar leek en nu soms als een berg voelt.
Paul zegt dat hij elk weekend belt. Hij heeft zelfs voorgesteld dat ik twee keer naar hem toe kom. Lief bedoeld, maar ik krijg al stress van de gedachte aan een overstap op Schiphol met een koffer en een stok.
Onze beste vrienden, Anja en Henk, wonen tien minuten fietsen van ons vandaan. Tenminste, voor gezonde mensen tien minuten. We kennen elkaar al sinds onze kinderen op de basisschool zaten. We gingen jarenlang met z’n vieren kamperen in Frankrijk, later huurden we huisjes omdat we allemaal ouder werden en Henk een hekel aan luchtbedden kreeg. Elke donderdag aten we om de beurt bij elkaar. Ook toen mijn vader overleed, stond Anja ineens op de stoep met een pan lasagne en een tas schone handdoeken, zonder dat ik erom had gevraagd.
Daarom voelde het voor mij niet vreemd om haar te vragen of ze, als Paul weg was, wat vaker bij mij zou kunnen zijn. Niet iedere dag meteen. Gewoon af en toe blijven slapen. Misschien een paar dagen per week, in elk geval in het begin. Dan wist ik dat er iemand in huis was als ik ’s nachts viel of als mijn knie op slot schoot.
Ik had het eerst met Paul besproken. Hij keek alsof ik had voorgesteld dat Anja bij ons in zou trekken.
“Kar, dat kun je toch niet verwachten?” zei hij.
“Ik verwacht niks. Ik vraag het.”
“Maar Anja heeft net vijf jaar voor haar moeder gezorgd. Ze is eindelijk een beetje vrij.”
Dat wist ik heus wel. Haar moeder woonde de laatste twee jaar in een verpleeghuis in Soest, maar Anja ging er bijna dagelijks heen. Medicijnen regelen, was meenemen, praten met de arts, overal achteraan bellen. Toen haar moeder afgelopen november overleed, zei Anja tijdens de crematie dat ze niet wist wat ze met haar middagen aan moest. Ik dacht toen nog: nu kunnen we eindelijk weer wat vaker samen iets doen.
Achteraf klinkt dat misschien lelijk.
Ik vroeg het haar bij ons aan de keukentafel, op een dinsdagmiddag. Ze had zelf koffie meegenomen omdat ze vond dat mijn koffie slap was. Dat soort dingen kon altijd tussen ons. Paul was boven bezig met een online bijeenkomst van die stichting.
Ik zei dat ik het spannend vond dat hij weg zou gaan. Dat ik me niet alleen zorgen maakte over praktische dingen, maar vooral over de avonden. Over het huis dat stil is als je niet kunt slapen. Over de gedachte dat ik in de badkamer uitglijd en pas de volgende ochtend gevonden word omdat de buurvrouw toevallig op vakantie is.
Anja luisterde. Ze pakte mijn hand zelfs vast. Ik dacht echt dat ze ja zou zeggen, of in elk geval iets als: natuurlijk, we regelen het wel.
Maar ze zei: “Ik wil er voor je zijn, Karin. Echt. Maar ik kan niet weer iemands vaste vangnet worden.”
Ik weet nog dat ik naar haar nagellak keek. Donkerblauw, een klein chipje bij haar duim.
“Dat vraag ik toch niet?” zei ik.
Ze zuchtte. Niet overdreven, meer moe. “Je vraagt of ik meerdere nachten per week bij je kom wonen zolang Paul weg is. Misschien is het voor jou geen mantelzorg, maar voor mij gaat het wel zo voelen.”
Toen werd ik boos. Veel bozer dan ik van plan was.
“Dus na veertig jaar vriendschap moet ik een schema maken met een thuiszorgorganisatie?”
Ze keek me toen aan op een manier die ik niet kende. Niet koud, maar wel klaar ermee.
“Ja,” zei ze. “Misschien wel. Of je belt de Wmo bij de gemeente, of je kijkt wat er mogelijk is. Maar je kunt niet doen alsof alleen ik de keuze heb tussen jou helpen of jou laten vallen.”
Ik heb gezegd dat ik dat niet deed. Dat deed ik natuurlijk wel, een beetje. Of misschien helemaal.
Daarna kwam Henk ons ophalen, want ze zouden naar zijn zus in Zwolle. Anja gaf me een kus op mijn wang en zei dat we later zouden bellen. Dat belletje kwam pas drie dagen later. Ik nam niet op. Dat is kinderachtig, ik weet het. Ik zat op de bank met mijn telefoon in mijn hand en kon het gewoon niet.
Sindsdien is het donderdageten veranderd in appjes. Henk stuurt soms een foto van iets wat hij gekookt heeft. Paul vindt dat ik me aanstel en zegt dat Anja juist eerlijk is geweest. Hij wil nog steeds gaan, al heeft hij nu voorgesteld om eerst drie maanden te doen en daarna te kijken. Ik weet niet of dat een compromis is of uitstel van dezelfde ruzie.
Anja heeft aangeboden om elke maandag samen boodschappen te doen, zolang mijn knie het toelaat. Ze wil ook mee naar een gesprek met de gemeente als ik dat prettig vind. Ik heb nog nergens ja op gezegd. Het voelt vernederend dat hulp die vroeger vanzelfsprekend leek, nu in losse blokjes van een agenda moet passen.
Tegelijk zie ik haar soms in gedachten thuis zitten, eindelijk met een boek op de bank, zonder dat haar telefoon gaat omdat haar moeder weer gevallen is of in de war is. En dan schaam ik me, omdat ik blijkbaar dacht dat die rust van haar beschikbaar was zodra ik bang werd.
Vanmiddag appte ze: “Ik ga morgen naar de markt. Zal ik aardbeien meenemen?”
Ik heb alleen teruggestuurd: “Graag.”
Daarna heb ik heel lang naar dat woord gekeken, alsof ik daarmee iets had toegegeven wat ik nog niet hardop kan zeggen.