Veertig jaar lang regelden onze vrienden elk uitje. Nu zij hulp nodig hebben, wil mijn vrouw niet meer samen op vakantie

Mijn vrouw had de was van ons weekendje weg nog niet opgeruimd toen Kees de volgende vakantie in onze groepsapp zette. Twaalf dagen Italië, in september. Hij had een foto van een hotel bij het Gardameer meegestuurd.

‘Nu even iets om naar uit te kijken,’ schreef hij.

Els legde haar telefoon met het scherm naar beneden op tafel.

‘Ik ga niet.’

Ik dacht eerst dat ze bedoelde dat september niet uitkwam. Onze dochter zou verhuizen, al was nog niet duidelijk wanneer. Maar daar had het niets mee te maken.

We zijn alle vier begin zestig. Ik werk nog twee dagen per week bij een technische groothandel, Els is vorig jaar gestopt in de thuiszorg. Niet met een riant pensioen, maar we hebben gerekend en het kan. We wilden graag wat tijd overhouden waarin niet alles al vastlag.

Kees en Marja kennen we sinds onze eerste koopwoningen, toen we naast elkaar woonden. Onze kinderen liepen door beide achterdeuren naar binnen. Later verhuisden zij naar de andere kant van de stad, maar er veranderde weinig.

Zij waren altijd degenen met plannen. Een huisje in Drenthe, een concert, fietsen langs de Moezel. Wij hoefden meestal alleen te zeggen of we konden. Kees maakte routes, Marja wist waar je lekker kon eten zonder dat je meteen een vermogen kwijt was.

Ik vond dat heerlijk. Els ook, al zegt ze nu dat ze soms graag een weekend thuis was gebleven. Dat heeft ze destijds niet vaak gezegd. Of ik heb niet goed geluisterd.

De laatste twee jaar kunnen ze minder. Kees heeft veel last van zijn heup en rug. Hij wacht op verdere behandeling en loopt buiten met een stok. Marja is na een longontsteking nooit helemaal opgeknapt en raakt snel buiten adem. Er zijn goede dagen waarop ze bijna als vroeger zijn. Daardoor vergeet ik soms hoe het een week eerder ging.

Het begon met rijden. Dat was logisch; lange stukken achter het stuur werden voor Kees lastig. Daarna nam ik hun koffers mee naar boven en ging Els alvast boodschappen doen, zodat zij konden uitrusten.

Geen van die dingen voelde als een probleem.

In november gingen we naar een huisje bij Ootmarsum. Ik had niet goed gezien dat er een trapje naar de voordeur zat. Kees werd boos, vooral uit schrik, denk ik. We stonden in de regen met tassen en hij kon niet naar binnen zonder dat ik hem stevig vasthield.

Die avond bleef Els bij Marja toen ik met Kees naar de huisartsenpost reed vanwege plotseling veel meer pijn. Uiteindelijk konden we weer terug. Niemand had er schuld aan, maar van wandelen of rustig samen koffie drinken kwam dat weekend weinig.

Op de terugweg sliep Els bijna de hele rit. Thuis zei ze dat ze voortaan ook dingen met ons tweeën wilde doen.

‘Natuurlijk,’ zei ik.

Vervolgens spraken we toch weer met Kees en Marja af.

Dat laatste weekend, waarvan de was nog op tafel lag, waren we in Zeeland. Els had het huisje uitgezocht, gebeld over de badkamer en de bedden en een douchestoel geregeld via de verhuurder. Ik reed en haalde de boodschappen. Toen Kees zich moeilijk kon aankleden, hielp ik hem met zijn sokken en broek.

Ik vond dat ongemakkelijk, hij duidelijk ook. We maakten allebei flauwe grappen.

Marja vroeg Els of ze tijdens het douchen vlakbij wilde blijven. Later vroeg ze hulp bij het afdrogen. Els deed het gewoon. Pas thuis vertelde ze dat ze zich weer op haar werk had gevoeld.

‘Maar het is Marja,’ zei ik.

‘Ja. Dat weet ik.’

Dat klonk scherper dan ik van haar gewend ben.

Over Italië belde ik eerst zelf met Kees. Ik dacht dat er wat misverstanden waren die we makkelijk konden oplossen. Misschien een ander hotel, korter weg, onderweg overnachten.

Maar hij had al een taakverdeling in zijn hoofd. Ik kon rijden en een ruime auto huren. Els kon uitzoeken welke kamers geschikt waren en wat er ter plaatse aan hulpmiddelen te regelen viel.

‘En jullie helpen ons daar gewoon een beetje. Zoals in Zeeland.’

Ik zei dat Zeeland voor Els behoorlijk zwaar was geweest.

Hij was even stil.

‘Wij hebben veertig jaar alles geregeld. Nu zijn wij een keer aan de beurt om gesteund te worden.’

Daar had ik niet meteen iets op terug. Niet alleen omdat hij het zo stellig zei. Toen ik jaren geleden overspannen thuiszat, stond hij elke donderdag voor de deur. Wandelen, ook als ik geen zin had. Marja heeft weken voor ons gekookt toen Els haar pols had gebroken. Dat zijn geen verzinsels die ze nu gebruiken. Ze zijn er echt voor ons geweest.

Maar toen ik het gesprek aan Els vertelde, vroeg ze waarom mijn antwoord op zoiets altijd betekende dat zij iets moest doen.

Ik begon over wat ík allemaal deed. De autoritten. Het tillen. Die avond in Ootmarsum.

‘Dat zeg ik toch niet?’ zei ze. ‘Maar jij zegt ja tegen een reis en daarna mag ik uitzoeken hoe iemand daar veilig kan douchen.’

Ik had nog geen ja gezegd. Dat hield ik vol, langer dan nodig was. Terwijl ik best wist dat ik Kees hoop had gegeven.

Afgelopen zondag kwamen ze koffie drinken. Marja had een vlaai meegenomen. We praatten eerst over hun kleinzoon, die zijn rijbewijs voor de derde keer niet had gehaald. Ik schoof het gesprek steeds voor me uit.

Els begon uiteindelijk zelf.

‘Wij gaan niet mee naar Italië. Die reis wordt voor ons te zwaar.’

Kees keek naar mij. Ik keek terug en zei dat het mij ook te veel leek.

Marja vroeg zacht of we dan nooit meer samen weg wilden.

Dat raakte me meer dan Kees zijn boosheid. Ik zei meteen dat een nachtje dichtbij misschien wel kon. Els draaide haar hoofd naar me toe. Ik had alweer iets aangeboden voordat wij het samen hadden besproken.

Ze gingen vroeger weg dan anders. De helft van de vlaai stond er nog.

Sindsdien is de groepsapp stil. Ik heb een bericht aan Kees getypt en weer gewist. Els zegt dat ik hem best kan bellen, maar dat ik niet namens haar een oplossing moet beloven.

Morgen ga ik bij hem langs. Alleen, dat weet hij. Ik neem de boormachine mee die hij nog van me had willen lenen; daar had hij vorige maand om gevraagd.

Ik wil hem graag zien. Tegelijk ben ik bang dat hij over september begint en ik weer iets toezeg om het gesprek wat minder pijnlijk te maken. Els heeft me vanavond gevraagd of ik haar na afloop even bel, voordat ik naar huis rijd.