Onze vriendin van veertig jaar vroeg of ze bij ons mocht wonen — mijn vrouw wilde ja zeggen, maar ik zag vooral de rust verdwijnen die we net terug hadden
Ik had de logeerkamer al opgemeten voordat ik tegen mijn vrouw zei dat ik niet wilde dat Karin bij ons kwam wonen. Dat maakt het misschien nog vervelender. Ik had gekeken of er naast het bed een kast kon staan. Zelfs een stopcontact vrijgemaakt.
Els dacht daardoor dat we het eigenlijk al eens waren.
Maar ik stond daar met die rolmaat omdat ik probeerde te wennen aan iets waar mijn maag van samentrok.
Ik ben 66, Els is 64. We wonen in een gewoon rijtjeshuis in Apeldoorn, met boven twee slaapkamers en een kamertje waar de was hangt. Geen groot huis, maar voor ons ruim genoeg.
Sinds vorig voorjaar zijn we allebei gestopt met werken. Ik werkte in de technische dienst van een zorginstelling, Els op de planning bij een vervoersbedrijf. Vooral haar laatste jaren waren beroerd. Ze sliep met haar telefoon naast het bed, hoewel ze officieel geen dienst had. Er viel altijd iemand uit.
Nu ontbijten we meestal pas om negen uur. Els zwemt op dinsdagochtend. Ik ben twee middagen bij de fietsenwerkplaats van het buurthuis. Soms zeggen we een hele ochtend weinig tegen elkaar. Dat is geen ongezelligheid. Daar hebben we lang naar uitgekeken.
Karin kennen we ruim veertig jaar. Zij en Els werkten vroeger samen bij een drogist. Ze was erbij toen onze kinderen klein waren, bij de begrafenis van mijn moeder en bij alle verjaardagen waarop eigenlijk steeds dezelfde mensen kwamen.
Toen ik twaalf jaar geleden aan mijn rug werd geopereerd, reed Karin me naar afspraken als Els moest werken. Ze bleef dan niet gezellig koffie drinken. Ze zette de boodschappen binnen, vroeg waar de stofzuiger stond en ging aan de slag.
Dat moet ik er wel bij vertellen.
Haar eigen leven is het afgelopen jaar behoorlijk uit elkaar gevallen. Haar relatie met Henk stopte na elf jaar. Het huis was van hem. Ze wilde daar ook niet blijven, zei ze toen nog. Via een kennis vond ze een kamer bij een vrouw in Deventer.
Daarna moest ze aan haar voet geopereerd worden. Ze werkt als pedicure aan huis en kon wekenlang nauwelijks iets doen. Inmiddels werkt ze weer wat, maar lang niet zoals daarvoor.
En nu wordt dat appartement in Deventer verkocht. De vrouw bij wie ze woont, gaat bij haar dochter wonen. Karin moet er eind deze maand uit.
Ze vertelde het op een zondagmiddag. We hadden soep gegeten. Ik stond de kommen af te spoelen toen ze vroeg of we even konden gaan zitten.
‘Zou ik misschien een poosje bij jullie kunnen?’
Els zei meteen: ‘Ach, meid.’
Ik vroeg hoelang een poosje was.
Dat klonk hard. Ik hoorde het zelf.
Karin streek met haar duim over een barstje in haar nagellak.
‘Dat weet ik niet, Joop. Als ik dat wist, was het makkelijker.’
Ze stond ingeschreven voor een huurwoning, reageerde op kamers en had bij de gemeente gevraagd waar ze terechtkon. Daar liep nog van alles, zei ze. Ik heb niet precies gevraagd wat. Het voelde op dat moment alsof ik bewijsstukken zat op te vragen.
We zouden er samen over nadenken.
Die avond zei Els dat Karin boven kon slapen en overdag toch vaak weg zou zijn.
‘Waarheen dan?’ vroeg ik.
‘Gewoon. Werk. Dingen regelen.’
‘En de andere uren?’
Els keek me aan alsof ik een kant van mezelf liet zien die ze liever niet kende.
Misschien was dat ook zo.
Ik vind Karin lief, maar ik vind haar soms vermoeiend. Ze praat als ze gespannen is. Veel. De afgelopen maanden zat ze regelmatig hier aan tafel, terwijl de koffie koud werd en hetzelfde gesprek opnieuw begon. Over Henk, over die kamer, over wat ze anders had moeten doen.
Dan ging Els tegenover haar zitten en liep ik naar de schuur. Dat kon, omdat Karin later weer naar huis ging.
Ik schaam me als ik dat opschrijf.
Twee dagen later belde ze. Of we al iets wisten. De vrouw in Deventer wilde nu een datum waarop ze zou vertrekken.
‘Ik heb verder niemand waar ik terechtkan,’ zei ze.
Ik antwoordde dat we nog overlegden. Daarna bleef ik met de telefoon in mijn hand staan.
Els stelde een proefperiode voor. Zes weken.
‘En als er na zes weken nog niks is?’
‘Dan kijken we verder.’
‘Dat is dus geen zes weken.’
Toen kregen we ruzie. Niet schreeuwend, maar lang en naar. Els zei dat ik alleen maar problemen zag. Ik zei dat zij onze voordeur openzette en vervolgens verwachtte dat ik wel zou wennen.
‘Het is ook mijn huis,’ zei ze.
‘Ja, precies,’ zei ik. ‘Ook het mijne.’
Daarna ging zij naar boven. Ik heb nog een halve natuurdocumentaire zitten kijken zonder te weten over welk dier het ging.
De volgende ochtend vertelde Els dat ze zelf ook tegen inwonen opzag. Dat had ik niet verwacht.
‘Ik wil ook niet iedere avond beschikbaar moeten zijn,’ zei ze. ‘Maar ik kan toch niet hier zitten puzzelen terwijl zij niet weet waar ze moet slapen?’
Ik had geen antwoord waar ik tevreden mee was.
We hebben Karin uiteindelijk gevraagd om nog eens te komen. Els wilde eerst dat ik het woord deed, maar daar heb ik nee tegen gezegd. Het moest niet worden dat ik weigerde en zij er alleen maar naast zat.
We hebben gezegd dat ze niet voor onbepaalde tijd bij ons kon wonen. Dat we wel samen met haar wilden zoeken, meegaan naar afspraken, spullen opslaan. En dat ze twee weken kon blijven als ze anders echt zonder plek kwam te zitten.
Karin vroeg niets over die hulp.
‘Maar daarna moet ik dus weer weg?’
Els begon te huilen. Karin keek naar mij.
Ik zei ja.
Ze bleef beleefd. Dat vond ik bijna erger. Ze bedankte ons voor de koffie en nam haar vest mee, dat hier al sinds december over een stoel hing.
Dat was afgelopen donderdag.
Gisteren stuurde ze Els een bericht. Ze kan misschien drie weken bij een nicht in Zutphen terecht, maar die heeft zelf ook weinig ruimte. Of ons aanbod voor die twee weken daarna nog gold.
Els heeft ja geantwoord. Dat hadden we afgesproken.
Vanmiddag heb ik mijn winterkleren uit de kast op de logeerkamer gehaald. Karin komt de twaalfde. Els wil voor die tijd nog met haar bespreken hoe we het met eten en wassen doen.
Ik heb gevraagd of zij dat gesprek wil beginnen. Ik merk dat ik nu bij iedere praktische vraag bang ben dat het klinkt alsof ik haar liever niet zie komen.