Onze vriend wil na de dood van zijn vrouw bij ons komen wonen, maar ik ben bang dat we daarmee ons eigen pensioen kwijtraken

Op de plattegrond die Henk had meegenomen, stond mijn hobbykamer niet meer. Daar stond ‘woon-/slaapruimte’, in lichtblauwe letters. Hij had het laten tekenen door een kennis van zijn biljartclub.

Mijn vrouw schoof haar leesbril op en vroeg waar de badkamer moest komen.

Dat vond ik op dat moment nog het ergste. Niet dat Henk die tekening had gemaakt, maar dat Marianne meteen praktisch begon mee te denken.

Ik ben zevenenzestig. Marianne is vierenzestig. Twee jaar geleden zijn we verhuisd naar een dorp buiten Zutphen, naar een huis dat we zelf hebben laten bouwen. Niet zo’n villa met een oprijlaan. Gewoon gelijkvloers, goed geïsoleerd, met een ruime garage voor mijn fietsen en achterin een kamer voor mijn modelbouw. Marianne heeft een atelier met uitzicht op de tuin.

We hebben er lang voor gespaard. Ik werkte in ploegendienst bij een verpakkingsbedrijf, zij in de thuiszorg. De laatste jaren telden we allebei af, al zei zij dat minder hardop dan ik.

We wilden mensen kunnen laten logeren. Dat stond zelfs op ons lijstje voor de architect. Een logeerkamer. Geen tweede huishouden.

Henk kennen we ruim dertig jaar. Zijn vrouw Ria was Mariannes beste vriendin. Ze gingen samen zwemmen en konden een hele middag in een tuincentrum rondlopen zonder iets te kopen. Henk en ik fietsten veel. Hij is iemand die altijd ergens iemand kent. Zelfs bij een tankstation in Frankrijk kwam hij een oud-collega tegen.

Ria is negen maanden geleden overleden. Het ging snel. In april dacht ze dat ze last had van haar maag, eind augustus zaten we na de uitvaart bij Henk aan de keukentafel.

Sindsdien eet hij vaak bij ons.

Eerst op woensdag. Daarna ook op zondag, want op zondag vond hij het thuis het ergst. Daar kon ik me iets bij voorstellen. Ik ben een keer bij hem binnengekomen terwijl de televisie hard aanstond en hij zelf in de keuken op een stoel zat, zonder licht.

Hij heeft ook minder lucht dan vroeger. Op de fiets komt hij nauwelijks meer mee. Hij noemt het conditieverlies, maar hij heeft medicijnen en loopt bij de longverpleegkundige. Hoe ernstig het precies is, weet ik niet. Als je doorvraagt, begint hij over iets anders.

Het verzoek kwam tijdens het afruimen.

‘Jullie hebben eigenlijk ruimte zat,’ zei hij.

Ik dacht dat hij bedoelde dat we een grotere eettafel moesten kopen.

Maar hij wilde bij ons wonen. Niet verzorgd worden, zei hij er meteen bij. Gewoon samen leven. Hij zou zijn huis verkopen en iedere maand een flink bedrag bijdragen. Duizend euro noemde hij. Meer kon ook.

‘Ik wil geen patiënt bij jullie worden.’

Marianne pakte zijn hand. Ik zette drie borden in de vaatwasser en haalde ze er weer uit omdat ze verkeerd stonden.

We zouden erover nadenken. Dat hebben we gezegd. Achteraf had ik duidelijker moeten zijn over wat dat betekende.

Voor Marianne betekende het: kijken hoe we het mogelijk konden maken. Voor mij betekende het: uitzoeken hoe we nee konden zeggen zonder hem nog een klap te geven.

Dat verschil hielden we een paar weken behoorlijk netjes verborgen.

Henk kwam een lang weekend logeren. Op vrijdag aten we vis, zaterdag gingen Marianne en hij naar de markt. Het was gezellig. Echt. Hij maakte de koffiemachine schoon, iets wat ik al weken uitstelde, en we keken ’s avonds naar een oude wielerwedstrijd.

Maar op zondag kwam zijn zus langs. Daarna nog een stel van de camping waar hij en Ria vroeger stonden. Henk had gezegd dat ze gerust konden aanwaaien.

Ik zat in mijn oude trui aan de keukentafel de krant te lezen toen er vier mensen door de achterdeur kwamen.

Aardige mensen. Daar ging het niet om.

Ik ging koffiezetten. Marianne sneed cake aan die eigenlijk voor maandag bedoeld was. Tegen vieren stonden er glazen op het aanrecht en ging het over een kaartavond die hier misschien wel kon plaatsvinden, nu we zo’n fijne grote tafel hadden.

Die avond zei ik tegen Marianne dat ik dit niet wilde.

‘Je hoeft toch niet de hele tijd mee te doen?’ zei ze.

‘Het gebeurt wel in mijn huis.’

‘Ons huis.’

Daar had ze gelijk in. Ik zei toch iets lelijks. Dat zij iedereen wilde redden zolang ik maar de koffie zette.

Ze heeft die avond nauwelijks meer tegen me gepraat.

Wat ik er eerlijk bij moet zeggen: ik was vroeger degene die onze vrienden altijd aanspoorde om langs te komen. Barbecue aan, extra stoelen uit de schuur. Marianne herinnerde me daaraan.

Maar toen wist ik dat iedereen weer naar huis ging.

Een paar dagen later sprak ik Henk alleen. Hij zei dat hij niet bij ons wilde komen om vervolgens elke avond met ons op de bank te zitten.

‘Ik heb ook mijn eigen leven, Kees.’

‘Dat begrijp ik. Maar al die mensen dan?’

Hij keek me verbaasd aan.

‘Ik dacht juist dat je blij zou zijn als ik niet voor alles op jullie leunde.’

Daar had ik geen goed antwoord op. Hij wilde gezelschap, maar niet alleen het onze. En als dit zijn thuis werd, kon ik moeilijk verwachten dat hij voor iedere bezoeker toestemming vroeg.

Toen kwam dus die tekening.

Een eigen ingang via de zijkant, een douche waar nu de voorraadkast zit, een klein keukenblok. Henk zou de verbouwing betalen. Volgens zijn kennis was het allemaal vrij eenvoudig.

Ik vroeg of die kennis ook wist waar ik dan met mijn spullen heen moest.

‘Een deel kan toch in de garage?’ zei Henk.

Hij zei het niet onaardig. Misschien maakte dat me nog bozer.

Ik schoof het papier terug. Marianne zei mijn naam op zo’n waarschuwende toon. Henk begon de tekening op te vouwen, heel precies langs de bestaande vouwen.

Hij is kort daarna vertrokken.

Marianne huilde die avond. Ze zei dat ze Ria had beloofd op hem te letten. Dat wist ik niet. Ze had het zelf ook niet als een echte belofte beschouwd, zei ze, tot nu.

Ik heb gevraagd of ze zelf met hem wilde wonen, of alleen niet wilde weigeren. Ze wist het niet.

Dat gesprek is inmiddels drie weken geleden.

Er komt voorlopig geen verbouwing. Dat hebben we samen aan Henk verteld. Over het wonen zelf hebben we nog geen gezamenlijk antwoord. Ik wil nee zeggen. Marianne wil daar nog tijd voor.

Henk komt woensdag eten. Vorige week sloeg hij over; hij zei dat hij iets anders had. Ik heb niet gevraagd wat.

Gisteren vroeg Marianne of ik hem wilde bellen, gewoon over het fietsen of zo. Ik zei dat hij mij ook kon bellen.

Vanmorgen heb ik toch zijn nummer opgezocht. Daarna heb ik eerst de vaatwasser uitgeruimd.