Ik stelde onze vrienden na veertig jaar een ultimatum om mijn vrouw te beschermen. Nu is zij vooral boos op mij

Marijke had de boodschappen voor acht personen al in huis toen ik in onze groepsapp zette dat ik niemand voorlopig nog wilde zien. Er lagen twee stokbroden op het aanrecht en in de koelkast stond een schaal die ze van mijn zus had geleend.

Dat klinkt als een onbelangrijk detail. Maar het eerste wat zij zei was niet dat ik gelijk had of dat ik gek geworden was.

‘Had je dit niet even kunnen zeggen voordat ik naar de winkel ging?’

We zijn allebei begin zestig. Onze vriendengroep bestaat uit vier stellen, al meer dan veertig jaar. We kennen elkaar van de volleybalvereniging. Het volleyballen hield ergens in de jaren negentig op, de vrijdagavonden niet.

Niet letterlijk iedere vrijdag, maar bijna. Bij elkaar eten, kaarten, met mooi weer ergens op een terras. We hebben kinderen zien opgroeien en ouders begraven. Toen ik twaalf jaar geleden een paar maanden thuiszat na een operatie, kwam Bert iedere woensdag langs met de krant. Dat vergeet ik niet. Ook nu niet.

Marijke houdt de boel bij elkaar. Zij weet wie er op vakantie is, wie een uitslag krijgt en waarom we beter niet naar dat ene restaurant kunnen omdat Anja daar vorig jaar zo beroerd van werd. Als niemand reageert op een datum, belt zij even rond.

Ik heb daar veertig jaar van geprofiteerd zonder er veel over na te denken.

De laatste anderhalf jaar is er iets veranderd tussen haar en Bert. Of misschien viel het me toen pas op.

Marijke is minder gaan werken bij de bibliotheek. Ze doet een cursus keramiek en gaat op dinsdag wandelen met twee vrouwen uit de buurt. Ze koopt ook weer eens iets voor zichzelf. Geen gekke dingen. Een jas, goede wandelschoenen.

Bert noemt het haar ‘tweede puberteit’.

De eerste keer lachte ze. Ik ook, geloof ik.

Daarna kwam het vaker. Als ze vertelde over de cursus, vroeg hij of ze al een asbak had gemaakt. Toen ze geen wijn wilde omdat ze vroeg op moest, zei hij dat we blijkbaar toestemming nodig hadden van haar wandelclub om nog gezellig te mogen zijn.

Op zichzelf stelt zo’n opmerking weinig voor. Dat weet ik terwijl ik dit opschrijf. Maar hij wachtte steeds tot anderen luisterden. En als Marijke antwoord gaf, ging hij nog even door.

‘Rustig maar, hoor. Je hoeft niet meteen boos te worden.’

Dan werd ze juist stil.

Een keer thuis vroeg ik waarom ze dat liet gebeuren. Niet mijn beste formulering.

Ze trok haar oorbellen uit voor de spiegel en zei: ‘Omdat ik geen zin heb om over iedere flauwe opmerking een vergadering te houden.’

Ik zei dat ik het vervelend vond.

‘Ja, ik ook weleens. Maar jij hoeft het niet op te lossen.’

Dat laatste heb ik wel gehoord. Alleen niet echt aangenomen, denk ik.

Twee weken later zaten we bij Rob en Els. Marijke vertelde dat ze met haar zus een paar dagen naar Gent wilde. Bert keek naar mij en vroeg of ik tegenwoordig alleen nog goed was om haar nieuwe leven te betalen.

Ze had die reis gewoon van haar eigen rekening betaald. Maar daar ging het natuurlijk niet om.

Ik zei dat hij daarmee moest ophouden.

Bert grijnsde nog. ‘Waarmee? Ik vraag toch iets?’

‘Dat gezeik over alles wat zij doet.’

Het werd stil. Els stond op om koffie te zetten, hoewel bijna iedereen nog wijn had.

Marijke legde haar hand op mijn onderarm. Ik schoof mijn arm weg. Daar schaam ik me nu meer voor dan voor mijn harde stem.

Ik zei dat het al maanden zo ging. Dat ik niet meer kwam als hij haar bleef afkraken. En toen Bert iets mompelde over lange tenen, maakte ik er iets groters van.

‘Als jullie dit allemaal normaal vinden, ben ik klaar met de hele groep.’

Rob zei dat ik hen er niet bij moest slepen. Anja keek naar haar schoot. Marijke zei dat we naar huis gingen.

In de auto dacht ik nog dat ze opgelucht zou zijn zodra de spanning zakte.

Ze bleef naar buiten kijken.

‘Je hebt niet eens gevraagd wat ik wilde,’ zei ze vlak voor onze straat.

Ik antwoordde dat ik toch niet hoefde te vragen of iemand haar mocht vernederen.

‘Nee. Maar wel of je namens mij onze vrienden de wacht mag aanzeggen.’

De volgende ochtend stuurde ik dat bericht. Ik had slecht geslapen en zag dat Bert alweer iets luchtigs in de app had gezet over een voetbalwedstrijd. Alsof er niets gebeurd was. Daar kon ik niet tegen.

Ik schreef dat hij moest stoppen met zijn opmerkingen en dat ik anders met niemand meer contact wilde. Dat laatste was bewust. Ik vond dat de anderen niet konden blijven toekijken.

Marijke stond naast me toen de eerste reacties kwamen. Zij had mijn bericht nog niet gelezen.

Els belde haar. Rob belde mij. Hij zei dat hij Bert ook vervelend had gevonden, maar dat ik geen veertig jaar vriendschap als drukmiddel kon gebruiken. Ik beet hem toe dat wegkijken blijkbaar makkelijker was.

Later appte Anja mij apart: ‘Ik snap je wel. Hij kan heel naar doen.’ Ze vroeg of ik dat niet tegen Bert wilde zeggen.

Daar wist ik ook weer geen raad mee.

Bert stuurde Marijke een bericht dat het hem speet als zijn humor verkeerd was gevallen. Zij vond dat onvoldoende en heeft hem dat zelf gezegd. Dat hoorde ik pas twee dagen later.

‘Zie je nou,’ zei ik. ‘Je vond het dus ook niet goed.’

Ze keek me zo moe aan dat ik ophield met praten.

‘Dat heb ik toch nooit gezegd? Ik ben alleen niet bereid om Els en Anja kwijt te raken omdat jij een besluit hebt genomen.’

Afgelopen vrijdag is ze alleen gegaan. Niet naar Bert, maar naar Rob en Els, met de hele groep. Ze vroeg of ik mee wilde. Ik kon mezelf er niet toe zetten.

Om kwart over elf kwam ze thuis. Ze hing haar jas op en vertelde dat Els binnenkort aan haar knie geopereerd wordt. Daarna zei ze dat Bert zich normaal had gedragen. Meer hebben we er niet over gezegd.

Gisteren vroeg Els in de app wie er volgende week kon. Marijke antwoordde dat zij kon, maar dat ze niet wist of ik meeging.

Ik heb nog niet gereageerd. Vanmorgen vroeg ik haar of we samen koffie konden drinken in het dorp. Ze moest eerst naar keramiek, zei ze, maar om half één kon wel. Ik heb een tafel gereserveerd.