Mijn man woont elke week een paar dagen bij zijn zieke vriend, en ik heb nu een vakantie geboekt zonder hem

Bij het boeken moest ik aangeven hoeveel volwassenen er meegingen. Ik klikte op één en heb daarna een tijdje naar het scherm zitten kijken. Niet omdat ik de prijs niet kon betalen. Omdat ik in tweeënveertig jaar nog nooit zonder Henk op vakantie was geweest.

We zijn allebei in de zestig. Sinds vorig voorjaar zijn we met pensioen. Henk werkte als onderhoudsmonteur, ik op de administratie van een school. Geen enorme pensioenen, maar genoeg om niet meer voor ieder terrasje eerst te rekenen.

We hadden plannen. Geen wereldreis of zo. Met de auto naar Frankrijk, buiten de schoolvakanties. Op dinsdag ergens lunchen. Eindelijk eens langer weg dan die twee weken waarin je eerst nog moet bijkomen van je werk.

Nu ligt er iedere zondagavond een weekendtas bij de achterdeur.

Die is voor Rob.

We kennen Rob en Marjan bijna veertig jaar. Onze kinderen zaten bij elkaar op de peuterspeelzaal. We hebben gekampeerd met lekkende tenten, verjaardagen gevierd, ouders begraven. Rob heeft ooit na zijn werk drie avonden bij ons staan klussen toen onze badkamer eruit lag. Marjan kwam eten brengen na mijn baarmoederoperatie.

Dat zeg ik erbij omdat het anders misschien klinkt alsof ik het over zomaar een kennis heb.

Rob en Marjan zijn afgelopen winter gescheiden. Voor ons leek het plotseling. Voor haar niet.

Ze zei dat ze al jaren geen stel meer waren. Een paar maanden later kreeg Rob de diagnose beginnende dementie. Toen begonnen wij achteraf van alles te herkennen: zijn boosheid tijdens een kaartspel, afspraken vergeten, dat eindeloze zoeken naar zijn telefoon.

Marjan wist volgens mij ook niet goed wat bij hun slechte huwelijk hoorde en wat bij zijn ziekte.

Henk heeft haar één keer verweten dat ze hem in de steek liet. Daar schaam ik me nog steeds voor. Zij heeft daarna tegen mij gezegd dat er dingen waren die wij nooit hadden gezien. Ik heb niet doorgevraagd.

Rob woont nog in hun huis, op ruim drie kwartier rijden van ons. Hij kan veel zelf. Douchen, aankleden, naar de bakker lopen. Maar zijn administratie raakt zoek en eten doet hij soms twee keer achter elkaar, of helemaal niet. Vooral de avonden vallen hem zwaar.

Henk ging eerst op dinsdag langs. Samen boodschappen doen, een wandeling, koffie. Daar had ik geen enkel bezwaar tegen. Ik ging soms mee en maakte dan een pan soep.

Toen bleef Henk een nacht slapen omdat Rob zo onrustig was. Daarna twee nachten. Inmiddels vertrekt hij op maandag en komt hij meestal donderdag na het eten terug.

‘Dan heeft hij tenminste een paar gewone dagen,’ zegt Henk.

Hij draait wassen, kookt, haalt beddengoed af en verzint redenen om naar buiten te gaan. Als Rob niet mee wil wandelen, zegt hij dat hij zelf zijn stappen nog moet halen. Dat vind ik lief. Echt.

Alleen zit ik thuis.

En als Henk thuiskomt, is hij moe. Vrijdag wil hij geen afspraken. Zaterdag belt Rob verschillende keren omdat hij niet meer weet waar iets ligt. Zondag moet de tas alweer worden ingepakt.

Laatst vroeg ik of we naar de markt zouden gaan.

‘Moet dat vandaag?’ zei Henk.

Het was zo’n gewone vraag. Ik ben boven de lakens gaan opvouwen en moest ineens huilen. Daar werd ik ook kwaad van, op mezelf vooral.

Ik heb voorgesteld dat we samen met Rob hulp regelen. Via de huisarts is er inmiddels contact met een casemanager dementie. Er wordt bekeken wat thuis nodig is. Maar Rob wil geen vreemde in huis voor zijn was. Naar een dagactiviteit wil hij ook niet, want daar zitten volgens hem alleen maar oude mensen.

Henk lacht daar dan om en neemt de was mee.

‘Zo houden we het toch zelf in stand,’ zei ik.

‘Het is geen defect apparaat, Els.’

Dat vond ik gemeen. Ik heb zelf dertien jaar mijn moeder geholpen. Eerst boodschappen, later steunkousen, ziekenhuisafspraken, haar koelkast schoonmaken. Ik weet dat je niet één telefoontje pleegt en dat alles geregeld is.

Misschien ben ik juist daarom zo bang dat dit steeds meer wordt.

Rob heeft een dochter in Zwolle. Zij werkt en heeft een jong gezin. Henk zegt dat zij ook niet alles kan laten vallen. Dat klopt. Maar als ik dat over ons zeg, vindt hij dat blijkbaar iets anders.

Ik ben niet altijd redelijk geweest. Ik heb een keer gezegd dat Marjan nu lekker vrij was en dat ik haar huwelijk had overgenomen. Henk keek me aan alsof ik iets smerigs op tafel had gelegd.

Ik heb Marjan dat later verteld. Ze was even stil.

‘Je mag best boos zijn,’ zei ze. ‘Maar niet alles is mijn schuld.’

Daar had ze gelijk in.

De vakantie naar de Ardèche stond al maanden gepland. Een eenvoudig huisje, drie weken in september. Vorige maand vroeg Henk of we het konden annuleren.

Rob had een slechte week gehad. Hij was ’s avonds naar de supermarkt gelopen terwijl die al dicht was en had Henk huilend gebeld.

‘We kunnen nu toch niet drie weken weg?’ zei Henk.

Ik vroeg wanneer dan wel.

Hij antwoordde niet. Hij zat op zijn telefoon te kijken of annuleren nog geld kostte.

Toen heb ik gezegd dat ik dit niet meer wilde. Dat hij één dag per twee weken naar Rob kon gaan, en dat er voor de rest andere hulp moest komen. En als hij onze vakantie wilde opgeven, ging ik zonder hem.

‘Eén dag per twee weken? Na veertig jaar?’

‘Ja,’ zei ik.

Het klonk hard. Het was ook hard. Ik had dat aantal niet eens rustig bedacht. Ik wilde vooral iets zeggen waar niet meteen weer een nachtje aan vast kon worden geplakt.

Henk noemt het geen egoïsme meer sinds ik daar zo boos om werd, maar hij vindt het nog steeds.

We hebben het huisje geannuleerd. Ik heb een week in een hotel in Zeeland geboekt. Drie weken Frankrijk alleen durfde ik toch niet.

Henk heeft gisteren gevraagd of er nog een tweede persoon bij kan. Ik zei te snel ja.

Daarna zei hij dat hij misschien twee nachten kon komen, als Robs dochter iets kon regelen.

Ik heb gezegd dat ik liever eerst wist waar ik aan toe was. Hij knikte en ging verder met aardappels schillen.

De boeking staat voorlopig op één persoon. Vanmiddag heb ik bij de ANWB een fietskaart gehaald. Ik weet niet of ik daar veel zal fietsen, maar ik wilde even iets regelen waarvoor ik niemand hoefde te bellen.