Mijn man wil niet meer mee naar onze vrijdagavond, en ik weet niet of ik hem kwijt ben of onze vrienden
Vorige vrijdag heb ik voor acht personen lasagne gemaakt, terwijl ik al wist dat we met zeven zouden zijn.
Dat klinkt misschien overdreven, maar ik maak al bijna vijfendertig jaar te veel. Eerst omdat er altijd wel een kind mee-at, later omdat iemand na een wandeling nog aanwaaide, en tegenwoordig omdat ik het niet kan laten. Onze vrijdagavondgroep is nooit officieel begonnen. We waren jonge stellen in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kinderwagens in de gang en geldtekort aan het eind van de maand. Nu zijn we tussen de 61 en 66, de kinderen wonen verspreid door het land en er zijn drie kleinkinderen bijgekomen. Maar de vrijdag is gebleven.
Om de beurt eten we bij iemand thuis. Geen chic gedoe. Soep, pasta, stamppot als het koud is, na afloop koffie en soms een glas wijn dat te laat wordt ingeschonken. We weten wie er altijd te veel zout gebruikt, wie nooit op tijd komt en wie na twee glazen iets te eerlijk wordt. Voor mij is dat geen bijzaak. Het is een soort vangnet dat je pas merkt als je bang bent dat het wegvalt.
Bas heeft daar altijd net zo bij gehoord als ik. Hij was degene die na het eten de afwas deed als we bij ons waren. Niet omdat hij zo dol was op afwassen, maar omdat hij dan met Kees kon mopperen over voetbal of politiek. Hij maakte flauwe grappen waar iedereen om lachte, ook als ze niet goed waren.
Sinds vorig voorjaar is hij veranderd. Of misschien moet ik zeggen: sinds hij stopte met werken.
Bas was jarenlang teamleider bij een logistiek bedrijf. Altijd telefoon, altijd roosters die omvielen, chauffeurs die ziek waren, deadlines die volgens hem ‘eigenlijk gisteren’ moesten. Hij heeft zichzelf er doorheen gesleept tot hij op een dinsdag in de keuken stond en niet meer wist waarom hij de koelkast had opengedaan. Dat vertelde hij pas weken later. Toen had hij zich al ziekgemeld.
De bedrijfsarts noemde het overspannen, later burn-out. Bas vond alle woorden stom. Hij ging naar een psycholoog, wandelde veel en sliep de eerste maanden soms twaalf uur per nacht. Na een tijdje nam hij een regeling aan en is hij eerder gestopt. Financieel konden we dat net doen. Niet ruim, maar we hebben geen hypotheek meer en ik werk nog twee dagen bij de bibliotheek.
Ik dacht eerlijk gezegd dat hij zou opknappen van rust. En dat deed hij in het begin ook een beetje. Hij ging weer fietsen. Hij maakte eindelijk de schuur leeg. Hij zat met een boek in de tuin, zelfs als het daarvoor eigenlijk te koud was.
Maar de vrijdagavond begon hij te ontwijken.
Eerst zei hij dat hij hoofdpijn had. Daarna dat hij wel later zou komen. Toen zat hij om half negen nog in zijn joggingbroek op de bank terwijl ik mijn tas pakte.
‘Je hoeft niet de hele avond,’ zei ik. ‘Kom gewoon een uurtje. Marijke vroeg nog naar je.’
Hij keek me aan alsof ik hem had gevraagd om een nachtdienst te draaien.
‘Ik kan niet meer doen alsof ik daar ontspannen van word, Els.’
Dat kwam hard aan, ook omdat ik meteen dacht: alsof? Dus al die jaren heeft hij gedaan alsof?
Ik zei iets onaardigs. Dat hij zich niet zo moest afsluiten. Dat het niet gezond was om alleen maar thuis te zitten. Dat mensen juist vereenzamen als ze ouder worden. Mijn moeder was na het overlijden van mijn vader binnen twee jaar bijna niemand meer gaan zien. Ik weet nog hoe ze op zondagmiddag zei dat ze “niet wilde storen”, terwijl ze duidelijk wilde dat ik kwam.
Bas zei toen: ‘Ik ben je moeder niet.’
Daar had hij gelijk in, maar ik was al kwaad. Of bang. Waarschijnlijk allebei.
De eerste keren ging ik zonder hem. Onze vrienden deden hun best om normaal te doen, wat het juist niet normaal maakte. Kees vroeg te luchtig of Bas “nog steeds in zijn kluizenaarsfase” zat. Marijke gaf me een hand op mijn arm en zei dat ze zich zorgen maakte. Later appte zij Bas rechtstreeks of hij eens koffie wilde drinken. Hij antwoordde vriendelijk, maar kort.
Hij wil niemand kwijt, zegt hij. Hij wil alleen niet steeds beschikbaar zijn. Niet reageren in de groepsapp zodra iemand een datum prikt. Niet luisteren naar discussies over de verbouwing van Jorrits badkamer of de scheiding van de dochter van Sanne, hoe naar dat laatste ook is. Hij zegt dat er in zijn hoofd al jaren een radio aanstaat en dat hij die eindelijk uit wil zetten.
Ik snap dat heus wel, op sommige dagen. Als ik hem ’s ochtends in de keuken zie zitten met zijn koffie, stil maar niet somber, dan denk ik: laat die man toch met rust.
Maar vervolgens zie ik dat hij een appje van zijn broer niet opent. Dat hij afzegt voor de verjaardag van onze kleindochter omdat het hem ‘te veel prikkels’ lijkt. En dan slaat de paniek weer toe. Want waar houdt herstel op en waar begint verdwijnen?
Twee weken geleden liep het echt uit de hand. We zouden bij Kees en Petra eten. Bas had de hele dag al gezegd dat hij niet meeging. Ik bleef aandringen, steeds op een andere manier. Eerst lief, toen praktisch: we hadden al toegezegd. Daarna verwijtend: hij liet míj ook zitten. Dat was gemeen, want hij had nooit gezegd dat ik niet mocht gaan.
Hij stond ineens op uit zijn stoel. Niet schreeuwend, dat maakt het bijna erger bij Bas.
‘Jij hebt die vrijdag nodig, Els. Prima. Maar je doet alsof ik hem jou afpak als ik niet meega.’
Ik zei dat een huwelijk toch betekende dat je dingen voor elkaar doet.
Hij antwoordde: ‘Ja. Maar niet dat de één langzaam leegloopt zodat de ander zich veilig voelt.’
Ik ben toch gegaan. Met een schaal tiramisu die ik die middag al had gemaakt. Bij Kees en Petra zei ik dat Bas moe was. Ik schaamde me terwijl ik het zei, niet omdat hij thuisbleef, maar omdat ik loog alsof hij een kind was dat verschoond moest worden.
Later op de avond vroeg Sanne, heel voorzichtig, of het wel goed ging tussen ons. Ik kreeg tranen in mijn ogen om iets wat ik zelf nauwelijks kon uitleggen. Iedereen zat ineens naar zijn bord te kijken. Jorrit zei dat hij Bas best begreep, omdat hij na zijn pensioen ook moeite had gehad met alle afspraken. Petra zei juist dat je mensen niet moet laten wegzakken achter hun voordeur. Niemand had ongelijk. Dat maakte het alleen maar vervelender.
De maandag daarna hebben Bas en ik een afspraak gemaakt bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Niet omdat ik hem wilde laten bewijzen dat hij depressief is. Daar ben ik inmiddels van teruggekomen. Ik heb zelf ook gezegd dat ik misschien te veel van onze vriendengroep een verzekering tegen de toekomst heb gemaakt.
De praktijkondersteuner was rustig. Ze zei niet dat Bas móést blijven gaan en ook niet dat ik me er maar bij neer moest leggen. Ze vroeg wat hij nog wel aankon. Bas zei: één persoon tegelijk, overdag, liefst met een duidelijke eindtijd. Ik voelde me daar gek genoeg verdrietig van. Alsof ons leven werd teruggebracht tot een gebruiksaanwijzing.
Maar vorige week heeft Kees Bas gevraagd om op woensdag een stukje te fietsen. Geen etentje, geen appgroep, geen acht meningen aan tafel. Bas is gegaan. Ze waren na anderhalf uur terug. Bas zei bijna niets, behalve dat Kees een nieuwe e-bike had gekocht die volgens hem veel te duur was.
Vrijdag ging ik weer alleen. Ik nam geen lasagne mee, maar een fles wijn en een zak stokbrood van de Albert Heijn. Toen ik thuiskwam, was Bas al naar bed. Op het aanrecht lag een briefje: ‘Soep voor morgen staat in de koelkast. Was gezellig?’
Ik heb eronder geschreven: ‘Ja. Maar je werd gemist.’
Daarna heb ik het briefje omgedraaid, omdat ik niet wist of dat eerlijk was, of gewoon weer een manier om hem terug te trekken naar iets waar hij voorlopig niet in past.