Ik moest kiezen tussen mijn man en de buurtbibliotheek die we samen hadden opgebouwd

Het begon met een formulier waar niemand in de buurt ooit om had gevraagd.

Een Excelbestand, eigenlijk. Met vakjes voor bezoekersaantallen, uitgeleende boeken, activiteiten, namen van vrijwilligers en zelfs een kolom waarin we moesten invullen hoeveel uur er besteed was aan ‘informele ontmoeting’. Ik weet nog dat ik ernaar keek op mijn telefoon terwijl ik in de rij stond bij de Plus. Alsof je kon meten dat mevrouw Van Dijk op dinsdagmiddag vooral kwam omdat ze sinds haar man dood is niemand meer spreekt.

Mijn man Henk zei meteen: „Dat gaan we dus niet doen.”

Henk is 67 en hij heeft de buurtbibliotheek bijna twaalf jaar geleden opgezet, eerst in een leegstaand lokaal naast het wijkcentrum. We hadden toen een paar oude boekenkasten van mijn zus, dozen met afgeschreven boeken van de gewone bibliotheek en een koffiezetapparaat dat steeds kortsluiting gaf. Nu zitten we in een hoek van het wijkcentrum die iedereen gewoon ‘de bieb’ noemt.

Het is geen officiële bibliotheek zoals in de stad. Je hoeft geen pasje te hebben. Als iemand een boek meeneemt en het komt nooit terug, dan haalt Henk zijn schouders op. „Dan staat het blijkbaar ergens anders goed,” zegt hij dan. Daar kan ik me soms nog steeds aan ergeren, want er verdwijnen ook best mooie boeken. Maar juist daarom komen mensen er graag. Het is laagdrempelig, zoals dat heet, al zei Henk vroeger gewoon: iedereen mag binnenlopen.

Ik deed vooral de administratie, voor zover we die hadden, maakte koffie bij de voorleesmiddagen en regelde de appgroep met de twaalf vrijwilligers. Henk was degene die iedereen kende. Hij wist wie net gescheiden was, wie een kleinkind in Groningen had gekregen, wie slecht ter been was. Hij zette stoelen buiten als het zonnig was, ook als dat officieel niet mocht van het wijkcentrum.

Toen kwam Farah, 31, vanuit de gemeente. Coördinator buurtvoorzieningen. Een aardige vrouw, echt waar. Ze sprak rustig, luisterde goed en kwam de eerste keer met stroopwafels omdat ze had gehoord dat Henk daar gek op was. Ze wilde niet de boel overnemen, zei ze. Ze wilde zorgen dat we toekomstbestendig werden.

Dat woord viel bij Henk verkeerd.

De gemeente wilde de subsidie voortzetten, maar dan moesten we aantonen wat we deden. Niet alleen hoeveel boeken er doorheen gingen, maar ook dat we structureel open waren, dat vrijwilligers een verklaring hadden getekend en dat er iemand verantwoordelijk was voor de kas. Er moest een rooster komen. Een digitaal uitleensysteem was niet meteen verplicht, maar wel ‘sterk aanbevolen’.

Ik begreep het ergens wel. We kregen geld voor huur, verwarming, kinderactiviteiten en een klein bedrag voor nieuwe boeken. Niet veel, maar zonder dat geld konden we niet blijven zitten waar we zaten. De energierekening van het wijkcentrum was vorig jaar al omhooggegaan. De beheerder had ons dat voorzichtig laten weten.

Henk hoorde alleen maar dat een meisje van de gemeente, zoals hij haar soms thuis noemde, kwam vertellen hoe hij zijn eigen plek moest runnen.

Ik heb hem daar een paar keer op aangesproken. Niet eens heel fel.

„Ze is geen meisje, Henk. Ze doet gewoon haar werk.”

Dan trok hij zijn mond scheef en ging hij verder met de krant. „Ja, en wij deden dit werk al toen zij nog op de basisschool zat.”

Het werd lastiger toen hij bewust dingen ging negeren. Farah had gevraagd of we voorlopig bij elke openstelling zouden noteren hoeveel mensen binnenkwamen. Henk legde het formulier onder een stapel puzzelboekjes. Op een woensdagmiddag kwam Farah langs en vroeg ernaar. Hij zei dat hij geen portier was.

„Mensen moeten hier niet het gevoel krijgen dat ze geteld worden,” zei hij.

„Ik vraag niet om namen,” zei Farah. „Alleen om aantallen. Anders kan ik niet onderbouwen waarom deze plek geld nodig heeft.”

„Iedereen die hier komt, is de onderbouwing.”

Er viel zo’n stilte waar je bijna fysiek last van krijgt. Ik stond achter de balie met een doos ontvangen boeken en deed alsof ik een prijsstickertje probeerde los te peuteren.

In de weken daarna kreeg ik steeds vaker mailtjes van Farah. Eerst alleen aan Henk en mij, later ook aan het bestuur van de stichting waar we formeel onder vielen. Henk las ze niet meer. Of nou ja, hij las ze wel, maar antwoordde niet. Soms stuurde hij één zin terug: ‘De buurtbibliotheek is geen callcenter.’

Ik schaamde me daarvoor, hoewel ik ook wist waarom hij zo deed. Hij was bang dat alles waar hij trots op was, een project zou worden met beleidswoorden. Ik kende hem goed genoeg om te zien dat er ook iets anders onder zat. Hij was net met minder uren gaan werken als conciërge op een mbo-school. De bieb gaf hem ritme. Mensen zeiden tegen hem: Henk, wat fijn dat jij er bent. Misschien was het ook zijn plek om nog nodig te zijn.

De bestuursvergadering in maart was verschrikkelijk. Niet dramatisch op een filmachtige manier. Er waren lauwe kannen koffie, een schaal met droge koekjes en een tl-buis die bleef zoemen. Farah was er, de voorzitter, ik, Henk en twee andere vrijwilligers.

Farah legde uit dat de subsidieaanvraag binnen drie weken weg moest. Zonder de gevraagde gegevens was de kans klein dat die werd toegekend. De voorzitter zei vervolgens, heel voorzichtig, dat er iemand als aanspreekpunt nodig was die de afspraken uitvoerde.

Henk keek hem aan alsof hij iets heel vies had gezegd.

„Dus je bedoelt dat ik weg moet.”

„Dat zeg ik niet,” zei de voorzitter. „Maar als je niet mee wilt in deze afspraken, dan moeten we kijken hoe we verdergaan.”

Henk stond op. Hij pakte zijn jas niet eens. Hij liep gewoon naar buiten. Door het raam zag ik hem op zijn fiets stappen, nog zonder jas, in die natte maartkou.

Ik bleef zitten. Dat is het moment waar ik nog steeds niet goed naar kan kijken zonder een knoop in mijn buik. Ik had achter hem aan kunnen gaan. Ik had kunnen zeggen: dan stoppen we ermee, zoek het uit met je subsidie en je schema’s. Maar ik bleef zitten en zei tegen Farah dat ik wel wilde helpen met de registratie.

Thuis sprak Henk twee dagen bijna niet tegen me. Hij at zijn boterhammen staand aan het aanrecht. Als ik vroeg of hij koffie wilde, zei hij: „Maakt me niet uit.” Dat is bij hem erger dan schreeuwen.

Op zaterdag ging ik alleen naar de bieb. Ik opende om tien uur, zoals op het nieuwe rooster stond. Om kwart over tien kwam mevrouw Van Dijk binnen. Ze keek om zich heen en vroeg: „Is Henk ziek?”

„Nee,” zei ik. „Hij is even thuis.”

Ze knikte, maar ze bleef die ochtend maar kort. Een uur later kwam Henk toch binnen. Niet met bloemen of een grote verzoening. Hij had een tas met boeken bij zich die iemand bij ons huis had afgegeven.

Hij zei tegen mij: „Die mogen niet op de grond staan, daar worden ze krom van.”

Daarna zette hij ze op de tafel en begon hij ze te sorteren.

Hij vult nu nog steeds geen formulieren in. Dat doe ik, samen met twee anderen. Henk is geen voorzitter meer, maar hij komt drie ochtenden per week en niemand heeft het hart om hem een gewone vrijwilliger te noemen. Farah komt soms langs. Zij en Henk zijn beleefd tegen elkaar geworden, wat niet hetzelfde is als goed.

De subsidie is voorlopig toegekend. We hebben nu een tablet achter de balie, die meestal leeg is omdat niemand eraan denkt hem op te laden.

Vorige week vroeg Henk of ik de bezoekersaantallen van februari al had verstuurd. Ik zei ja.

Hij knikte alleen maar en zette koffie voor een jongen die binnenkwam om te vragen of we boeken over vrachtwagens hadden.

Ik weet nog steeds niet of we de bieb gered hebben of dat we iets ervan zijn kwijtgeraakt. Misschien allebei.