Na twintig jaar heb ik ons jaarlijkse vriendenweekend niet geregeld, en ineens bleek ik de ‘egoïst’ te zijn

Vorige week heb ik de gezamenlijke pot opgeheven.

Dat klinkt misschien overdreven, alsof ik een vereniging heb opgedoekt, maar zo voelde het ook een beetje. Twintig jaar lang stond er op mijn laptop een Excelbestand met namen, betalingen, openstaande bedragen en ideeën voor ons jaarlijkse weekend weg. Ik wist wie geen whisky lust, wie liever een kamer op de begane grond heeft vanwege zijn knie en wie altijd pas na de derde herinnering betaalt. Ik regelde huisjes, restaurants, treintijden, fietshuur, soms een museum waar uiteindelijk niemand echt zin in had.

Het begon ooit heel klein. Met acht man, toen nog allemaal met kinderen op de basisschool of middelbare school. Wij woonden naast Erik en Marga in Amersfoort, en via hen kwamen Jos en Ellen, en later Pieter en Saskia erbij. Eerst zaten we elke vrijdagavond om de beurt bij iemand te borrelen. Niet ingewikkeld. Zoutjes op tafel, biertje, een pan soep als iemand haast had.

Ik was goed in dingen regelen. Of misschien vooral slecht in aanzien hoe niemand iets regelt.

Als ik vroeg wie een datum wilde prikken, bleef het stil in de app. Als ik een voorstel deed, reageerde iedereen binnen tien minuten met duimpjes, uitroeptekens en een opmerking over dieetwensen. Zo rolde ik er vanzelf in. Op een gegeven moment werd er zelfs gezegd: ‘Jan vindt wel weer iets leuks.’ Dat was vriendelijk bedoeld. Ik nam het ook als compliment op, denk ik.

Maar ik ben in januari gestopt met werken. Zesenveertig jaar bij dezelfde installateur, eerst buiten, later als werkvoorbereider. De laatste jaren was ik de hele dag aan het bellen, brandjes blussen, mensen achter afspraken aan zitten. Toen ik afscheid nam, dacht ik vooral aan rust. Niet aan helemaal niks doen, maar aan dagen waarop er niet steeds iets van mij moest.

Ik heb een oude racefiets opgeknapt. Ik ben op woensdagmorgen gaan zwemmen. Soms rijd ik zonder doel naar de Veluwe en neem ik een broodje mee. Dat klinkt misschien kinderachtig op mijn leeftijd, maar ik had er ineens behoefte aan om niet altijd beschikbaar te zijn.

In februari stuurde ik in onze groepsapp dat ik het organiseren wilde gaan verdelen. Ik schreef niet dat ik ermee wilde stoppen, want zelfs dat durfde ik kennelijk niet meteen. Ik stelde voor: elke maand twee mensen die de vrijdagavond doen, en voor het weekend weg een klein groepje van drie. Dan hoefde niemand alles alleen te dragen.

Er kwamen aardige reacties.

‘Goed idee, Jan!’ schreef Ellen.

‘Helemaal terecht,’ zei Pieter.

Jos stuurde een gifje van een applaudisserende man, waar ik nog steeds een hekel aan heb als ik eraan denk.

Daarna gebeurde er niks.

In maart vroeg ik nog eens wie er voor het weekend van september mee wilde kijken naar locaties. We gingen meestal met z’n achten, drie nachten, ergens in Drenthe, Limburg of de Achterhoek. Niet luxe, maar wel fijn. Wandelen, eten, kaarten, een keer te veel wijn bij het diner. Twintig jaar lang was het eigenlijk ons vaste punt.

Marga zei dat ze het ontzettend druk had met haar moeder, die sinds haar val veel zorg nodig heeft. Dat begreep ik. Pieter had het druk op kantoor. Jos zei dat hij ‘niet zo’n regelaar’ was. Saskia reageerde pas twee dagen later met: ‘Als er iets concreets ligt, denk ik graag mee.’

Dat is precies het soort zin waar ik vroeger dan weer op doorging.

Marion, mijn vrouw, zat die avond tegenover me aan tafel. Ze was bezig met een legpuzzel, zo’n landschap met veel lucht waar je uren op kunt zoeken naar twee passende blauwe stukjes. Ik zei dat ik er klaar mee was. Niet met onze vrienden, maar met die rol.

Ze keek niet eens meteen op. ‘Maar jij vindt dat toch juist leuk?’

‘Vond ik leuk. Soms. Maar het is alsof ik weer aan het werk ben.’

‘Ja, maar zonder jou komt er niks van terecht.’

Dat zei ze niet hard. Eerder bezorgd. Alsof ik had aangekondigd dat ik geen verwarming meer wilde in de winter.

Marion heeft gelijk dat ik vaak opbloei tijdens zo’n weekend. Ik zit dan aan het hoofd van de tafel zonder dat ik dat bewust kies, ik maak een praatje met de eigenaar van het restaurant, ik zorg dat iedereen een glas heeft. Maar zij ziet niet hoe ik op zondagavond nog bonnetjes zit te sorteren. Of hoe ik, zodra er ergens een kamer dubbel geboekt is, meteen een knoop in mijn maag krijg.

Misschien ziet ze het wel, maar denkt ze: dat hoort bij Jan.

In april kwam de vraag in de app: ‘Jan, heb je al iets op het oog voor september?’ Van Jos, nota bene. Ik heb een kwartier naar mijn telefoon gekeken. Toen schreef ik dat ik dit jaar niets zou organiseren en dat iemand anders het mocht oppakken als er behoefte aan was.

Er kwam lang geen reactie.

Uiteindelijk belde Erik. Hij begon vriendelijk, maar ik hoorde al snel dat hij geïrriteerd was. Hij zei dat het weekend voor iedereen belangrijk was, dat we na corona al genoeg hadden gemist en dat ik toch wist hoe moeilijk het was om acht agenda’s bij elkaar te krijgen.

Ik zei dat ik dat inderdaad wist. Beter dan wie ook.

‘Maar je laat het nu gewoon vallen,’ zei hij.

Dat woord bleef hangen. Vallen. Alsof ik een kind van een fiets had laten glijden.

Ik zei dat ik het al maanden van tevoren had aangegeven. Hij zei dat aangeven iets anders was dan zorgen dat het geregeld werd. Daar werd ik zo kwaad van dat ik iets naars terugzei. Dat ze blijkbaar allemaal heel goed waren in deelnemen, maar niet in dragen. Hij werd stil en zei: ‘Dat is ook niet eerlijk, Jan.’

Misschien was het niet eerlijk. Erik heeft me ook vaak geholpen als er gedoe was met een accommodatie. Hij rijdt altijd als iemand te veel gedronken heeft. Marga heeft jarenlang voor mijn vader gekookt toen hij alleen woonde. Het zijn geen profiteurs. Dat maakt het juist zo lastig.

Maar het weekend kwam er niet.

In juni had iemand nog een huisje doorgestuurd, maar niemand zette door. Er waren altijd wel redenen: te duur, te ver, geen hond toegestaan, die datum kon niet. Normaal zou ik dan een nieuwe lijst maken. Nu heb ik mijn telefoon in mijn broekzak gelaten en ben ik naar het zwembad gegaan.

Afgelopen vrijdag zaten we bij Pieter en Saskia. Het was stroef. Niet de hele avond, maar er zat iets onder. Op een gegeven moment zei Ellen dat ze het ‘oprecht jammer’ vond dat een traditie zomaar voorbij kon zijn. Marion zei niets. Ik ook niet eerst.

Toen zei Jos: ‘Je had ook gewoon één keer kunnen zeggen: jongens, ik red het niet, help me even. In plaats van alles afkappen.’

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik wilde zeggen dat ik dat letterlijk had gedaan. Twee keer zelfs. Maar ik was moe van het uitleggen. Dus ik zei alleen: ‘Ik heb niet alles afgekapt. Ik heb één ding niet meer gedaan.’

Marion keek me toen eindelijk aan. Niet boos, eerder verdrietig. Op de terugweg in de auto zei ze dat ze bang is dat de groep uit elkaar valt als niemand meer initiatief neemt. Dat dit soort vriendschappen niet vanzelf blijven bestaan op onze leeftijd.

Ik zei dat ik daar ook bang voor ben.

De pot heb ik verdeeld en teruggestort. Zesentachtig euro en veertig cent per stel. In de app heb ik erbij gezet dat het geld onderweg kan zijn en dat iemand anders de rekening kan openen als daar behoefte aan is.

Pieter reageerde met: ‘Dank je.’

Verder bleef het stil. Morgen is het vrijdag. Ik weet nog niet of we ergens heen gaan, of dat Marion en ik thuis blijven. Ik heb in elk geval mijn zwemtas al klaargezet voor zaterdagochtend.