Na veertig jaar wilde ik niet meer elke maand aan dezelfde eettafel zitten

Vorige maand heb ik voor het eerst niet gereageerd in onze groepsapp. Normaal staat daar op zondagavond rond een uur of acht iets als: ‘Wie neemt het voorgerecht mee?’ of ‘Zullen we bij De Swaen reserveren?’ Dan volgen er duimpjes, grapjes over dieetvoornemens die niemand volhoudt en foto’s van kleinkinderen.

Die avond lag mijn telefoon op de vensterbank met het scherm naar beneden. Henk zag het natuurlijk meteen.

‘Je gaat toch wel antwoorden?’ vroeg hij.

Ik was net terug van yoga. Mijn haar zat nog half nat in een knot en ik had zo’n katoenen tas bij me met een broodtrommel die ik vergeten was leeg te halen. Het rook een beetje naar hummus.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik denk dat ik deze keer niet ga.’

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik de hond wilde wegdoen. We hebben niet eens een hond.

Henk en ik zijn allebei 63. We kennen de anderen sinds de jaren tachtig, toen we nog in onze eerste huurwoningen zaten in Amersfoort. Peter en Marjan woonden twee straten verderop. Koos en Ellen leerden we kennen via de peuterspeelzaal, toen onze oudste nog met een knuffel onder zijn arm naar binnen ging. Later kwamen Bas en Ria erbij, via het voetbal van onze jongens.

We noemden onszelf nooit een vriendengroep, dat klinkt zo gemaakt. Maar we waren het wel. Verjaardagen, verhuizingen, echtscheidingen van broers en zussen, banen die wegvielen, ouders die naar een verzorgingshuis moesten. Alles liep door elkaar heen. We gingen jarenlang ieder voorjaar een weekend naar de Veluwe. We hadden vaste grappen die ik soms zelf niet meer leuk vond, maar toch vertelde omdat iedereen dan op de juiste plek lachte.

Sinds een jaar of vijftien eten we elke maand bij iemand thuis. Om de beurt uitgebreid koken, wijn erbij, laat naar huis. In coronatijd hebben we het met wandelingen en een enkele Zoom-borrel geprobeerd, maar zodra het weer kon, pakten we de draad op alsof er niks gebeurd was.

En ik dacht altijd dat ik daar gelukkig mee was.

Tot ik met pensioen ging. Ik werkte 36 jaar in de administratie van een middelgrote bouwmarkt. Eerst drie dagen, later vier. Ik was goed in mijn werk, denk ik, maar het was ook gewoon werk. Op mijn laatste dag kreeg ik een bos bloemen, een VVV-bon en een kaart waar iedereen ‘geniet ervan!’ op had geschreven. De maandag daarna zat ik om half negen al aan de keukentafel, aangekleed en wel, zonder enig idee waarom.

Via de bibliotheek vond ik een cursus filosofie voor beginners. Ik ging alleen, met knikkende knieën, omdat ik bang was dat iedereen daar heel belezen zou zijn en ik niet verder zou komen dan wat losse herinneringen aan Nederlands op de mavo. Maar er zat van alles: een oud-verpleegkundige, een man die net gescheiden was, twee vrouwen uit Iran, een jongen van 24 die bijna niets zei. We praatten over aandacht, schaamte, doodgaan, keuzes. Niet altijd slim of diepzinnig. Soms dwaalde het af naar de zorgverzekering. Maar ik kwam er anders vandaan dan ik binnenkwam.

Daarna ging ik een keer mee met een wandelgroep. Later volgde ik een weekend stiltewandelen in Drenthe, wat Henk belachelijk vond klinken.

‘Wandelen is toch al stil?’ zei hij.

Hij bedoelde het niet gemeen. Henk is niet iemand die andere mensen klein wil houden. Hij is juist trouw, zorgzaam, degelijk. Hij heeft jarenlang bij de gemeente gewerkt en hield thuis alles draaiende toen ik onregelmatige dagen had. Toen mijn moeder ziek werd, reed hij zonder mopperen iedere woensdag met me naar haar toe. Hij onthoudt verjaardagen beter dan ik.

Maar hij heeft weinig met dingen die geen duidelijk nut hebben. En hij houdt van herhaling. Hij wordt oprecht blij als we bij Peter en Marjan binnenkomen en de schaal met gevulde eieren al op tafel staat. Dan weet hij: dit is goed, dit is van ons.

Ik begon me juist steeds benauwder te voelen op die avonden. Niet door één gesprek. Door de optelsom.

Koos die voor de zoveelste keer vertelde hoe hij ooit een directeur terecht had gewezen. Bas die zei dat jongeren tegenwoordig niks meer kunnen hebben. Ria die vroeg of mijn dochter nou eindelijk minder was gaan werken, alsof dat een tijdelijke gril was. Daarna ging het over knieprotheses, de caravan, wat alles duur was geworden en wie er vroeger het hardst kon drinken op de camping in Ommen.

Ik deed mee. Ik lachte. Ik schonk wijn bij. Maar onderweg naar huis voelde ik me vaak leeg en ook schuldig daarover. Want dit waren geen slechte mensen. Marjan had na mijn vaders begrafenis drie weken lang om de dag gebeld. Peter hielp Henk nog steeds met alles wat met onze auto te maken had. Toen onze jongste in de schulden zat, waren zij degenen die niet gingen oordelen.

Dus wie was ik om te denken dat het niet genoeg meer was?

In januari stelde ik voor om de maandelijkse diners wat losser te maken. Misschien eens overslaan als iemand iets anders had. Of een keer samen naar een tentoonstelling, een wandeling, iets waar we niet om zes uur aan tafel hoefden.

Er viel zo’n stilte die ik erger vond dan wanneer ze boos waren geworden.

Ellen zei uiteindelijk: ‘Maar dit ís toch juist leuk omdat het vaststaat?’

Henk kneep onder tafel even in mijn knie. Niet hard. Meer een waarschuwing: laat maar.

Thuis zei hij dat ik het ingewikkeld maakte.

‘Je hoeft toch niet iedere maand een spirituele doorbraak te hebben?’ zei hij. ‘Gewoon gezellig eten met vrienden, daar is toch niks mis mee?’

Ik werd boos om die woorden, vooral omdat ik wist dat er iets in zat. Ik had inderdaad veel verteld over ademwerk, over een vrouw uit de wandelgroep die in haar eentje naar Portugal was geweest, over dat ik misschien een retraite wilde doen. Achteraf hoorde ik mezelf soms ook praten en dacht ik: doe normaal, Anja.

Maar ik wilde niet dat hij het alleen maar wegzette als een fase waar hij even doorheen moest.

De echte ruzie kwam toen ik in april een vijfdaagse wandelreis naar Zuid-Limburg boekte. Niet ver weg, niet extreem. Met een kleine organisatie, eigen kamer, overdag wandelen en ’s avonds eten met de groep. Precies in het weekend dat we normaal bij Koos en Ellen zouden eten.

Henk werd wit om zijn neus toen ik het vertelde.

‘Dus je hebt gewoon geboekt zonder het te overleggen.’

‘Ik heb het wel genoemd.’

‘Je hebt gezegd dat je misschien iets wilde doen.’

Daar had hij gelijk in. Ik had niet gezegd dat ik al op betalen had gedrukt.

Hij liep naar de schuur en bleef daar zeker een halfuur. Ik hoorde hem rommelen met gereedschap terwijl er niks gerepareerd hoefde te worden. Toen hij terugkwam, zei hij: ‘Ik ben bang dat jij straks allemaal nieuwe mensen hebt en dat ik hier alleen zit.’

Dat had ik niet verwacht. Ik dacht dat hij vooral bang was voor wat de groep zou zeggen. Of dat hij zich schaamde omdat ik niet mee ging. Maar hij bedoelde het letterlijk. Onze kinderen wonen allebei niet in de buurt. Zijn broer woont in Friesland en belt hooguit met kerst. Die groep is voor hem niet zomaar een traditie. Het is zijn bewijs dat we nog ergens bij horen.

Ik zei dat hij gewoon zonder mij kon gaan.

Hij keek alsof ik hem had voorgesteld om alleen naar onze eigen bruiloft te gaan.

Uiteindelijk ben ik naar Limburg gegaan. Het was niet magisch. De eerste avond zat ik naast een vrouw die alleen over haar ex-man wilde praten. Ik had blaren op mijn hielen. Het regende twee dagen. Maar ik heb ook gelachen met mensen die me nog niets schuldig waren en van wie ik niets hoefde te herinneren. Dat voelde vreemd genoeg licht.

Henk ging die zaterdag wel naar Koos en Ellen. Toen ik thuiskwam, stond de afwas nog op het aanrecht. Hij had kennelijk niks meer opgeruimd. Op tafel lag een bakje met overgebleven tiramisu dat Marjan voor mij had meegegeven.

‘Ze vroegen naar je,’ zei hij.

‘Wat heb je gezegd?’

‘Dat je wandelen was.’

Meer niet.

Sindsdien ga ik niet elke maand meer mee. Soms wel. Bij Marjan haar verjaardag bijvoorbeeld, want ik wilde haar geen pijn doen. Maar volgende week hebben ze weer een diner en ik heb al gezegd dat ik niet kom. Ik begin dan met een cursus keramiek in het buurthuis. Henk vindt dat onzin, geloof ik, al zegt hij het niet meer zo hard.

Hij gaat wel. Hij heeft gevraagd of ik hem wil afzetten, omdat hij dan een wijntje kan drinken. Ik heb ja gezegd.

Ik weet niet of dit de goede vorm wordt. Misschien vervreemden we langzaam van die mensen. Misschien blijven we vrienden, maar minder vanzelfsprekend dan vroeger. Misschien word ik over een halfjaar die keramiek zat en zit ik gewoon weer aan tafel bij de gevulde eieren.

Maar ik ga Henk donderdag wel afzetten. Daarna rijd ik door naar het buurthuis, met klei onder mijn nagels als alles een beetje lukt.