Onze beste vriend woont nu in onze garage, en ik herken mijn eigen huis niet meer

Ik hoor tegenwoordig aan de manier waarop het tuinhek dichtvalt of Henk een goede of een slechte ochtend heeft.

Als het zacht dichtgaat, zonder die metalen klap, heeft hij waarschijnlijk koffie gezet in de garage en zit hij daar met de radio aan. Dan laat ik het meestal even. Als het hek drie keer achter elkaar open en dichtgaat, weet ik dat hij weer naar buiten is gelopen om te roken, terwijl hij vorig jaar nog zei dat hij daarmee gestopt was. Op zulke dagen staat hij vaak vijf minuten later in onze keuken.

‘Hebben jullie even?’ zegt hij dan.

Dat klinkt onschuldig, maar ik ben die woorden gaan vrezen.

Henk en Ingrid waren meer dan dertig jaar onze beste vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Frankrijk, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen zich met veel te veel opblaasdieren naar het zwembad sleepte. Later kwamen de etentjes, oud en nieuw, weekendjes naar Texel, de verjaardagen waarop niemand hoefde uit te leggen waarom hij te laat was. Henk was degene die mijn vader naar het ziekenhuis reed toen ik zelf met griep op bed lag. Ingrid paste op onze dochter Maud toen mijn vrouw Els een spoedoperatie kreeg. Zo’n vriendschap was het.

Daarom zei Els meteen ja toen Henk in november belde.

Zijn scheiding was al twee jaar bezig, maar pas daarna leek alles tegelijk om te vallen. De verkoop van hun huis liep anders dan verwacht. Er was gedoe met schulden waar ik eerlijk gezegd nooit helemaal de vinger achter heb gekregen. Hij verloor zijn baan bij een groothandel in sanitair, deels door reorganisatie, deels omdat hij te vaak niet kwam opdagen. Hij had tijdelijk een kamer bij een kennis in Almere, maar daar moest hij na een ruzie weg.

Hij belde vanuit zijn auto. Het regende die dag zo hard dat je op de achtergrond de ruitenwissers hoorde.

‘Ik wil jullie niet lastigvallen,’ zei hij, wat natuurlijk betekende dat er iets zou komen. ‘Maar ik weet echt niet meer waar ik heen moet.’

Wij hebben achter in de tuin een oude garage die we jaren geleden hebben laten isoleren. Geen luxe gastenverblijf, laat ik dat vooropzetten. Er zit een douche en een toilet in, een klein keukentje en een slaapbank. Ik gebruik het vooral voor mijn modeltreinen en om soms met een boek te zitten zonder dat de televisie aanstaat. Els schildert er af en toe. We noemden het altijd, een beetje overdreven, onze plek.

‘Voor een paar weken,’ zei Els na het gesprek. ‘Tot hij iets heeft.’

Ik zei ja. Meteen ook. Daar heb ik geen spijt van, al wou ik soms dat ik toen iets minder snel had geknikt.

De eerste weken waren eigenlijk best rustig. Henk was mager, slecht geschoren en duidelijk kapot. Hij sliep veel. Els bracht af en toe een pan soep naar achteren en ik hielp hem met zijn DigiD, inschrijven bij WoningNet en een afspraak bij het UWV. Hij schaamde zich zichtbaar als hij om iets moest vragen. Dat raakte me. Deze man had vroeger altijd geld genoeg gehad voor een extra rondje en was trots op zijn Volvo, hoe oud die ook was.

Maar na kerst veranderde er iets. Of misschien zag ik het toen pas.

Henk kwam steeds vaker naar binnen zonder eerst te appen. Hij heeft geen sleutel van ons huis, maar de achterdeur stond overdag vaak open omdat Els de was ophing of ik in de schuur bezig was. Hij maakte koffie, wat op zich niet erg is, maar hij bleef dan aan tafel zitten tot we hem bijna moesten vragen wat hij eigenlijk van plan was.

Hij wilde overal over praten. Over Ingrid, die volgens hem met iemand anders verder was terwijl zij volgens Maud al jaren ongelukkig was. Over zijn advocaat. Over een oude collega die hem geld schuldig zou zijn. Over zijn zoon Lars, die amper reageerde. Soms begon hij ’s middags en zat hij er om half zes nog, terwijl Els stilletjes aardappels stond te schillen.

Als ik zei dat ik even wilde wandelen of naar mijn broer moest, keek hij alsof ik hem midden op straat had laten staan.

‘Ja, natuurlijk,’ zei hij dan. ‘Jullie hebben tenminste nog een normaal leven.’

Dat soort zinnen bleven hangen. Els reageerde er meteen op. Ze ging naast hem zitten, vroeg of hij wat gegeten had, stelde voor om samen naar de markt te gaan. Ik zag dat ze zich verantwoordelijk voelde. Zij kent Ingrid ook goed, maar met Henk heeft ze altijd iets beschermends gehad. Hij kan heel innemend zijn als hij kwetsbaar is. Dat is misschien gemeen om te zeggen, maar het is wel waar.

In maart wilde ik eindelijk weer eens een middag in de garage aan mijn baan werken. Mijn kleinzoon Bram zou komen kijken; hij is negen en helemaal gek van treinen. Ik had het een week eerder tegen Henk gezegd.

Toen ik die zaterdag de deur opendeed, lag Henk op de slaapbank met de gordijnen dicht. Lege pizzadoos op de grond, twee glazen op het aanrecht. De hele ruimte rook muf. Mijn spullen stonden in plastic bakken langs de muur, omdat hij meer plek nodig had voor kleding en dozen.

‘O ja,’ zei hij toen ik binnenkwam. ‘Dat met Bram. Ik ben niet zo lekker vandaag, Kees.’

Alsof ik hem gevraagd had of hij misschien even wilde verhuizen.

Ik ben toen naar huis gelopen en heb tegen Els gezegd dat dit niet langer kon. Niet op die toon waarop je samen een probleem oplost. Harder. Ik zei dat ik me een indringer voelde in mijn eigen tuin. Dat ik elke ochtend eerst keek of zijn lamp al brandde voordat ik naar buiten ging. Dat ik soms in de auto bleef zitten na het boodschappen doen, alleen omdat ik geen zin had in weer een gesprek van twee uur.

Els werd boos. Niet hysterisch, gewoon koud.

‘Hij heeft niemand, Kees.’

‘Dat is niet waar. Hij heeft een zoon, een zus, oude collega’s.’

‘Die laten hem allemaal zitten.’

‘En dus moeten wij alles opvangen?’

Ze zei een tijd niks. Daarna: ‘Je weet toch hoe hij erbij zit.’

Dat wist ik. Juist daarom voelde ik me zo rot. Want ik gunde hem geen dakloosheid, geen nog diepere put. Maar ik begon Els ook kwijt te raken in dit verhaal. ’s Avonds hadden we het niet meer over onszelf, alleen over Henk. Of hij al op reacties van woningen had gereageerd. Of hij niet te veel dronk. Of we hem moesten aansporen zijn huisarts te bellen.

Vorige week hebben we met z’n drieën aan tafel gezeten. Ik had van tevoren een datum opgeschreven, omdat ik bang was dat ik anders weer om de hete brij heen zou draaien. Eind juni. Nog ruim zes weken. We zouden helpen zoeken naar een kamer, tijdelijke huur, wat dan ook. Maar er moest een eindpunt komen.

Henk werd heel stil toen ik het zei. Hij keek niet naar mij maar naar Els.

‘Dus ik moet nu weer weg terwijl ik nog niks heb?’

Ik zei dat we hem niet op straat wilden zetten, maar dat het niet open kon blijven.

Toen kwam het. Hij wreef met zijn hand over zijn gezicht en zei: ‘Ik dacht eigenlijk dat dit meer was dan tijdelijk. Jullie zijn mijn familie. Misschien is dit wel waarom wij elkaar al zo lang kennen. Dat jullie me nu dragen.’

Els begon te huilen. Niet luid, gewoon tranen die ze boos wegveegde. Ik voelde me op dat moment de slechtste vriend van Nederland. Tegelijkertijd dacht ik: nee. Nee, dit mag niet onze levensmissie worden omdat jij niets anders meer overhoudt.

We hebben geen afspraak gemaakt die avond. Henk liep terug naar de garage en Els en ik hebben beneden geslapen zonder echt iets tegen elkaar te zeggen.

Vanmorgen lag er een brief van de gemeente voor hem bij ons op de mat, over zijn briefadres en een afspraak die hij gemist had. Ik heb hem niet meteen gebracht. Hij zit nog op de keukentafel, naast de reclamefolders en onze energierekening.

Vanavond wil Els opnieuw praten. Ik weet niet of we dan die datum echt gaan noemen of dat we weer een week opschuiven. Maar ik weet wel dat ik morgenmiddag met Bram naar de garage wil. Ook als Henk daar nog woont. Ik heb mijn dozen al uit de schuur gehaald.