Onze vriend wilde een jaar in ons gastenverblijf wonen, en ineens voelde ons droomhuis niet meer als van ons

Ik had nooit gedacht dat ik me schuldig zou voelen omdat ik op donderdagochtend gewoon in mijn pyjama koffie wilde drinken zonder eerst te kijken of er iemand in de tuin zat.

Maar dat is de laatste maanden dus wel zo. Meestal zit Karel dan al buiten, ook als het fris is, met een plaid van ons om zijn schouders en een sigaret die hij eigenlijk al jaren niet meer zou roken. Hij kijkt dan naar de moestuin van Henk alsof hij daar woont. Misschien is dat ook precies wat me zo dwarszit: hij gedraagt zich niet meer als bezoek.

Henk en ik zijn allebei 68. Hij heeft zijn hele leven in de installatiebranche gewerkt, ik zat bij een woningcorporatie op de huurincasso. Niet bepaald werk waar je romantische verhalen over vertelt op verjaardagen, maar we hebben er wel jaren voor gespaard. Vijf jaar geleden kochten we een oud huis net buiten Zutphen. Geen boerderij, mensen maken dat er soms van, maar een vrijstaand huis met een flinke schuur en een klein gastenverblijf dat vroeger waarschijnlijk een rommelig kantoor was.

We hebben bijna alles zelf laten verbouwen, behalve het schilderwerk, want daar waren we na drie dagen alweer klaar mee. Henk kreeg zijn werkbank en zijn oude motorfiets binnen. Ik kreeg een kamer met een grote tafel om te keramieken. Geen kleinkinderen die elk weekend zouden komen, geen mantelzorgsituatie, geen plannen om de wereld rond te reizen. Alleen eindelijk wat ruimte.

Karel is al sinds de mts-tijd bevriend met Henk. Ik ken hem dus langer dan sommige van mijn eigen familieleden. Hij was altijd degene die overal mensen kende, die op een camping meteen wist waar je goed kon eten en die bij een etentje niet kon laten dat hij de afwas ging doen. Zijn vrouw, Ria, was rustiger. Zij en ik konden goed samen zijn zonder veel te praten. Ria overleed vorig voorjaar, na een kort ziekbed. Longkanker. Vier maanden tussen de eerste onderzoeken en de begrafenis.

Daarna werd Karel heel klein, figuurlijk dan. Hij woont in een huurappartement in Deventer, derde verdieping, balkon aan een drukke weg. Ria had daar overal dingen neergezet: plantjes, gekleurde kussens, van die geurzakjes in de gang. Toen zij er niet meer was, had hij veel weggegooid. Misschien te veel. Hij zei dat het hem benauwde.

De eerste keer dat hij vroeg of hij op woensdag bij ons mocht eten, zei ik meteen ja. Hij kwam met zijn tandenborstel in een plastic Albert Heijn-tasje en sliep in het gastenverblijf. De volgende ochtend maakte Henk een uitgebreid ontbijt met spek, terwijl we normaal doordeweeks yoghurt eten. Karel lachte voor het eerst in weken een beetje. Ik was oprecht blij dat hij er was.

Daarna werd woensdag vanzelf donderdagmiddag tot vrijdagochtend. Soms arriveerde hij al rond lunchtijd. Hij hielp Henk met een schuttingdeel, nam een fles wijn mee, vertelde verhalen over Ria die ik nog niet kende. Dat vond ik waardevol. Rouw is ook saai en rommelig, denk ik. Niet alleen huilen. Veel herhalen, vergeten welke dag het is, ineens een rekening vinden op naam van iemand die er niet meer is.

Maar ergens in november begon het te schuiven.

Karel vroeg niet meer of het uitkwam. Hij appte: ‘Ben er morgen tegen drieën.’ Of: ‘Ik neem Bert en Lida mee, die kunnen wel even wat gezelligheid gebruiken.’ Dan zag ik het bericht terwijl ik in de supermarkt stond en wist ik dat ik thuis nog extra stoelen moest neerzetten en iets moest bedenken voor bij de koffie.

Bert en Lida ken ik oppervlakkig. Aardige mensen, daar gaat het niet om. Maar ze zaten op een zaterdagmiddag in ónze keuken over een cruise naar Noorwegen te praten, terwijl mijn kleiwerk op de tafel stond te drogen en ik me voelde als de vrouw van een buurthuis die vergeten was dat ze vrij had.

Ik zei die avond tegen Henk dat ik dit niet meer wilde.

Hij keek me aan alsof ik iets heel hards had gezegd. ‘Hij heeft bijna niemand meer, Marjan.’

‘Hij heeft wel mensen. Hij nodigt ze hier uit.’

‘Dat doet hij omdat hij zich hier veilig voelt.’

Dat begrijp ik ook. Dat maakt het juist zo lastig. Karel is geen misbruiker, geen nare man die bewust over grenzen heen walst. Hij is een weduwnaar die niet tegen de stilte in zijn eigen huis kan. Soms hoor ik hem ’s nachts naar het toilet lopen in het gastenverblijf, de buitendeur die zacht dichtvalt, en dan krijg ik meteen weer spijt van mijn irritatie.

Tegelijkertijd begon ik dingen voor hem te vermijden. Ik ging niet meer rustig in mijn keramiekkamer zitten als hij er was, omdat hij dan binnenkwam met: ‘Zo, ben je weer aan het kliederen?’ Niet kwaad bedoeld, maar ik wilde niet steeds gezelschap hoeven zijn. Ik stelde afspraken met vriendinnen thuis uit. Zelfs Henk en ik praatten zachter, belachelijk genoeg, alsof we logees niet wilden storen.

Drie weken geleden kwam het hoge woord eruit. We zaten na het eten aan tafel. Karel had boerenkool gemaakt, veel te zout, maar Henk at twee keer op omdat Karel zo zijn best had gedaan.

Karel zei dat zijn huurcontract nog anderhalf jaar liep, maar dat hij misschien met zijn verhuurder kon praten. Hij had wat spaargeld. Hij wilde zijn appartement eventueel opzeggen en ‘tijdelijk iets anders doen’.

Ik snapte eerst niet wat hij bedoelde.

Toen zei hij: ‘Ik zat te denken, dat huisje van jullie staat toch het grootste deel van de tijd leeg. Misschien kan ik daar een jaar zitten. Niet dat ik jullie voor de voeten loop hoor. Ik kan ook koken en de tuin bijhouden. Gewoon tot ik weer een beetje weet wat ik met mezelf aan moet.’

Henk zei niets. Hij keek naar zijn bord.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet eens door woede, eerder paniek. Een jaar. Een jaar iemand in de tuin, iemand die elke ochtend aanwezig is, iemand voor wie je rekening houdt met geluid, eten, bezoek, verwarming. Iemand die verdriet heeft en die je dus niet zomaar kunt vragen wanneer hij weer weggaat.

Ik zei uiteindelijk: ‘Karel, ik denk niet dat dat een goed idee is.’

Hij knikte heel langzaam. ‘Nee, duidelijk.’

Dat woord, duidelijk, maakte me meteen kwaad. Alsof ik hem het huis uit had gezet op straat. Ik zei dat het niet persoonlijk was, wat natuurlijk precies is wat mensen zeggen als het wel persoonlijk voelt. Henk greep pas later in en zei dat we er samen rustig over moesten nadenken.

Karel vertrok de volgende ochtend vroeger dan normaal. Hij had het bed afgehaald, terwijl ik altijd zeg dat hij dat niet hoeft te doen. De lakens lagen netjes opgevouwen op de stoel. Hij appte Henk daarna alleen nog over een voetbalwedstrijd.

Sindsdien is hij twee keer niet gekomen op donderdag. Een deel van mij is opgelucht. Het huis is stil, ik kan de oven aanzetten zonder te vragen of iemand mee-eet, en Henk rommelt weer uren in zijn schuur. Maar Henk is ook stiller. Hij heeft Karel gebeld, zegt hij, maar Karel neemt niet altijd op.

Vorige week zei Henk dat we misschien te snel nee hebben gezegd. Dat we ook voorwaarden hadden kunnen stellen: drie maanden, een bijdrage in de kosten, geen bezoek zonder overleg. Ik zei dat voorwaarden alleen werken als iemand begrijpt dat hij te gast is. En misschien was dat gemeen, want Karel heeft het vermoedelijk nooit zo bekeken. Voor hem was dit gewoon de plek waar hij nog even Ria niet hoefde te missen.

Morgen is het donderdag. Henk heeft hem opnieuw uitgenodigd om te eten. Ik heb ja gezegd, maar ik weet nog niet wat ik moet zeggen als hij komt. Ik wil hem niet kwijt. Ik wil alleen ook weer zonder schuldgevoel mijn eigen voordeur achter me dicht kunnen doen.