Mijn man huurde een coach in voor onze zoon, terwijl ik dacht dat hij eerst gewoon rust nodig had
Ik merkte het pas toen ik de was uit de machine haalde. Er lag een donkerblauwe sporttas op de gang, netjes tegen de muur gezet. Niet van mijn man, die gooit zijn spullen normaal gesproken ergens neer waar je er pas later over struikelt. Ook niet van onze zoon Daan, want Daan had al drie dagen dezelfde joggingbroek aan en kwam alleen beneden voor thee of een boterham.
Mijn man Henk zei: „O ja, die is van Mark. Die komt donderdag even met Daan praten.”
Ik dacht eerst dat het een oud-collega was. Henk kent veel mensen van vroeger, uit de bouw en van de voetbal. Maar Mark bleek een coach te zijn. Iemand die, volgens Henk, ervaring had met mensen die „vastlopen door stress”.
Ik stond daar met een natte sok in mijn hand en vroeg of Daan dat wist.
„Nog niet. Ik wilde het eerst even goed regelen.”
Dat zinnetje maakte me veel bozer dan ik op dat moment liet merken. Alsof Daan een kapotte cv-ketel was waarvoor je iemand belt. Alsof ik alleen maar lastig zou doen als ik het van tevoren wist.
Daan is 34. Hij heeft altijd gewerkt, bijna te hard eigenlijk. Eerst in een magazijn, later als planner bij een transportbedrijf in Nieuwegein. Hij was degene die op verjaardagen zei dat hij „wel even een extra dienstje” kon doen. Hij belde mij als ik een lekkende kraan had, maar ook zijn vrienden als iemand moest verhuizen. De afgelopen jaren kreeg hij steeds meer verantwoordelijkheid op werk. Hij vond dat eerst prachtig. Tot het niet meer ging.
Het begon met slecht slapen. Daarna maagklachten, hoofdpijn, steeds vergeten wat hij wilde zeggen. Op een maandag kon hij zijn schoenen niet meer aantrekken. Hij zat op de rand van zijn bed en belde huilend zijn vriendin, die toen nog bij hem woonde. Een week later was die relatie ook voorbij. Niet met ruzie, geloof ik. Eerder omdat zij niet meer wist hoe ze bij hem moest komen.
Via de huisarts en de bedrijfsarts kwam hij uiteindelijk thuis te zitten. Zijn huurwoning in Utrecht was te duur geworden nu zijn inkomen terugviel en hij daar alleen zat weg te kwijnen. Dus is hij vier maanden geleden bij ons ingetrokken. Tijdelijk, zeiden we. Dat woord hangt nog steeds in de lucht, maar niemand gebruikt het eigenlijk meer.
Ik ben degene die voorzichtig doet. Dat weet ik. Ik zet zijn ontbijt soms voor zijn deur als hij nog slaapt. Ik vraag te vaak of het gaat. Ik praat zachter als hij beneden komt, zelfs als de radio gewoon aanstaat. Misschien maak ik hem daar kleiner mee dan hij is. Dat kan best.
Maar ik heb hem ook gezien toen hij na een wandeling van twintig minuten op de bank lag te trillen, omdat hij onderweg iemand van zijn oude werk was tegengekomen. Ik heb hem midden in de nacht horen overgeven van spanning voordat hij een afspraak met de praktijkondersteuner had. Dan kun je niet meer doen alsof een beetje aanpakken vanzelf goed is.
Henk ziet dat anders. Henk is 64, net drie dagen per week met pensioen en de rest nog actief als opzichter bij een aannemer. Hij heeft zijn hele leven alles opgelost door op te staan en door te gaan. Toen zijn vader stierf, stond hij twee dagen later weer op een steiger. Daar is hij trots op, maar ergens zit er ook angst onder. Als je stilstaat, denkt hij volgens mij, dan zakt alles in.
Hij begon klein met Daan taken geven.
„Wil jij vanmiddag de kliko buiten zetten?”
„Je kunt toch wel even mee naar de Praxis?”
„Als je wakker bent, kun je die schuttingplank vasthouden.”
Op zichzelf waren het geen rare dingen. Ik zag dat ook wel. Maar het werd een dagelijks schema. Henk schreef het op een A4’tje dat hij met een magneet op de koelkast hing. Maandag vaatwasser uitruimen. Dinsdag tien minuten wandelen. Woensdag koken, iets simpels. Donderdag administratie openen, niet eens afmaken.
Daan zei eerst nergens nee tegen. Dat is precies zijn probleem. Hij zei: „Ja pap, komt goed.” En daarna zat hij boven met de deur dicht.
Toen ik Henk ermee confronteerde, zei hij dat ik Daan „in watten wikkelde”. Ik zei dat hij geen idee had wat een burn-out met iemand doet. Hij zei dat ik alle spanning uit het huis probeerde te verwijderen en daarmee bewees dat Daan niets meer aankon.
„Hij moet weer ervaren dat hij iets kan,” zei Henk.
„Hij moet eerst herstellen van het idee dat hij altijd iets móét kunnen,” zei ik.
Het was niet eens een goed gesprek. We stonden allebei bij het aanrecht. Hij met zijn handen plat op het werkblad, ik met een theedoek die ik steeds opnieuw opvouwde. Daan zat boven en we praatten zachter naarmate we bozer werden. Dat vind ik achteraf misschien nog het ergste. Alsof we dachten dat hij ons niet hoorde.
Die coach, Mark, kwam dus donderdag. Daan wist het die ochtend pas. Henk vertelde het hem tijdens het ontbijt alsof er een monteur zou langskomen.
Daan keek hem aan en zei heel stil: „Waarom heb je dat geregeld?”
Henk begon meteen uit te leggen dat het vrijblijvend was, dat Mark geen psycholoog speelde, dat hij alleen structuur kon bieden. Daan knikte, maar ik zag zijn gezicht dichtgaan. Hij ging daarna weer naar boven.
Ik heb Mark zelf afgebeld voordat hij er was. Daar ben ik niet trots op. Ik zei dat er een misverstand was en dat we eerst als gezin moesten overleggen. Hij klonk eerlijk gezegd niet verbaasd. Misschien gebeurt dit vaker dan ik denk.
Henk kwam erachter toen hij een bevestigingsmail zag op de iPad. Hij heeft die middag nauwelijks tegen me gesproken. ’s Avonds zei hij dat ik hem voor schut had gezet en dat ik alle hulp wegduw die niet precies in mijn plaatje past.
Ik zei dat hij onze zoon niet mocht behandelen alsof hij een project was. Toen zei Henk iets waar ik nog steeds last van heb: „En jij behandelt hem alsof hij elk moment kan breken.”
Daan kwam later beneden. Hij had blijkbaar meer gehoord dan we dachten. Hij keek vooral naar zijn handen en zei dat hij geen coach wilde die door zijn vader was uitgezocht. Maar hij zei ook dat hij gek werd van het feit dat ik bij elke afspraak vroeg of hij niet te moe was.
„Bij jou voel ik me lui, pap,” zei hij. „Bij mam voel ik me ziek. Ik wil gewoon even niet steeds iets voorstellen.”
Daar kon niemand iets tegenin brengen.
Het A4’tje hangt nog op de koelkast. Henk heeft er niets meer bij geschreven. Ik heb het ook niet weggehaald. Daan heeft gisteren zelf de vaatwasser uitgeruimd, zonder dat iemand het vroeg. Daarna lag hij de rest van de middag op bed, dus misschien zegt het helemaal niets.
Volgende week heeft hij een gesprek met zijn bedrijfsarts. Henk wil mee om te horen wat er gezegd wordt. Ik vind dat geen goed idee. Daan heeft nog niet besloten wat hij zelf wil. En eerlijk gezegd weet ik niet of wij als ouders hem op dit moment helpen, of alleen maar onze eigen angst bij hem neerleggen.
Vanmorgen vroeg Henk of ik koffie wilde. Gewoon zo. Ik zei ja. We zaten aan tafel zonder over Daan te beginnen, wat bijna nog ongemakkelijker was. Boven hoorde ik de douche aangaan. Niemand zei dat dat een goed teken was.