Ik dacht dat geld niets met vriendschap te maken had, tot onze vrijdagavondgroep uit elkaar begon te vallen
Vorige week zag ik in onze groepsapp een foto van een terras in Portugal langskomen. Niet van ons, maar van Henk. Hij had hem doorgestuurd met de tekst: „Hier zaten jullie toch ook, Marjan?”
Er stond geen lachende emoji achter. Alleen een vraagteken.
Ik heb mijn telefoon omgedraaid op tafel gelegd en ben doorgelopen naar de keuken. Pieter zat aan de eettafel bonnetjes uit te zoeken voor de boekhouder. Hij keek niet eens op toen ik de waterkoker vulde.
„Ze zijn weer bezig,” zei ik.
Hij zuchtte. „Laat maar.”
Maar zo werkt dat niet als je ruim dertig jaar lang bijna elke vrijdag met dezelfde mensen aan tafel hebt gezeten. Dan kun je niet zomaar ‘laat maar’ zeggen. Dan zitten die mensen in je hoofd, ook als je de app dempt.
We waren met z’n vieren begonnen, in 1991, toen we allemaal nog jonge gezinnen hadden in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort. Wij, Henk en Els, Rob en Natasja, en later kwamen Frank en Judith erbij. Vrijdagavond betekende eerst eten voor de kinderen, daarna koffie bij de een, bier en nootjes bij de ander. Soms gingen we kamperen in Frankrijk, soms een weekendje naar Texel. De kinderen groeiden op, verhuisden, kregen zelf relaties. Wij bleven over.
Niet omdat we allemaal precies hetzelfde waren. Henk kan bijvoorbeeld eindeloos klagen over de gemeente, terwijl Els hem dan onderbreekt omdat hij de container weer op de verkeerde dag buiten heeft gezet. Rob is juist iemand die overal de lol van inziet. Of was. Dat vind ik moeilijk om te zeggen.
Pieter werkte jarenlang bij een technische groothandel. Na een reorganisatie kon hij vervroegd stoppen, maar hij was daar na een jaar thuis bepaald niet vrolijker van geworden. Hij liep de hele dag in de schuur te rommelen en zei dan dat hij het „lekker rustig” vond, maar ’s avonds zat hij met zijn armen over elkaar naar voetbal te kijken alsof iemand hem iets had afgepakt.
Toen kreeg hij via een oud-collega de kans om een kleine onderneming over te nemen die onderdelen levert aan installateurs. Geen groot bedrijf, drie man personeel en een loods op een bedrijventerrein in Nijkerk. De eigenaar wilde stoppen vanwege zijn gezondheid. Het bedrag was voor ons enorm. Niet onmogelijk, maar wel alles wat we apart hadden gezet naast ons pensioen en een deel van de overwaarde waar we nooit aan wilden komen.
Ik was degene die zei dat we het moesten doen.
Dat is achteraf misschien ook waarom ik zo fel word als mensen nu doen alsof Pieter alleen maar geluk heeft gehad. We hebben nachten wakker gelegen. Ik heb spreadsheets gemaakt op de laptop, hoewel ik daar eigenlijk helemaal niet goed in ben. Pieter heeft met de bank gepraat, met die eigenaar, met leveranciers. We hebben een keer bijna afgehaakt omdat een klant ineens wegviel.
We hebben het niemand verteld. Niet echt.
Aan de groep zeiden we alleen dat Pieter „iets voor zichzelf” was begonnen. Frank vroeg nog wat precies, maar Pieter maakte een grap over schroefjes en ging door met de bitterballen. Ik weet dat dat ontwijkend was. Op dat moment voelde het vooral als bescherming. Zodra je over geld begint, krijgt iedereen er een mening over. Zeker vrienden die je al zo lang kennen dat ze denken dat ze mogen zeggen wat verstandig voor je is.
Het eerste jaar was zwaar, maar daarna liep het bedrijf beter dan verwacht. Pieter bleek goed in klanten vasthouden. Hij nam zelf de telefoon op, wist wie er haast had en leverde soms op zaterdag nog iets af. De winst ging voor een groot deel terug het bedrijf in, dat zeg ik eerlijk. Maar er kwam ook ruimte.
Na corona hadden we twee jaar nauwelijks iets gedaan. Dus boekten we een week Algarve. Daarna, in het najaar, nog een paar dagen naar Valencia. Niet vijfsterren, niet met champagne op een jacht. Gewoon een fijn hotel, ontbijtje erbij, geen gedoe. Ik had er bijna schuldgevoel bij toen ik de foto’s op Facebook zette, maar ik dacht: we mogen toch ook een keer genieten?
Toen kwam Rob met zijn verhaal.
Het was op een vrijdag bij Henk en Els. Rob was stil die avond. Hij dronk wijn terwijl hij normaal bier drinkt, en Natasja zat de hele tijd aan het etiket van haar flesje te pulken. Pas toen Judith vroeg of alles goed ging, zei hij dat hij geld kwijt was.
Hij had geïnvesteerd in een project via iemand van zijn tennisclub. Iets met opslagboxen en een rendement dat achteraf natuurlijk te mooi was om waar te zijn. Rob had niet alles verteld, ook niet aan Natasja. Uiteindelijk bleek dat geld verdwenen, de man onbereikbaar en Rob zat met een lening die hij had afgesloten om mee te kunnen doen.
Ik herinner me vooral hoe klein hij ineens leek op die bank. Rob, die altijd het hoogste woord had.
Hij zei niet meteen: leen me geld. Eerst zei hij dat ze misschien hun huis moesten verkopen. Dat hun dochter net zwanger was en dat hij zich schaamde omdat ze haar niks durfden te vertellen. Els begon te huilen. Henk zei dat er vast een oplossing kwam.
Een week later stuurde Frank een bericht in de app. Hij stelde voor dat we allemaal wat zouden bijdragen, als lening of gift, wat ieder wilde. Niet om Robs hele probleem op te lossen, maar om lucht te geven. Iedereen reageerde meteen. Judith en Frank zouden vijfduizend doen. Henk en Els drieduizend. Natasja’s zus wilde ook helpen.
Pieter en ik hebben duizend euro overgemaakt.
Dat was niet niks voor ons, vind ik nog steeds. Onze buffer zat in het bedrijf. Er waren salarissen, voorraad, btw, een nieuwe bestelbus die eraan kwam. Maar tegenover wat de anderen gaven voelde het karig. Ik zag het zelf ook.
Rob belde me niet. Natasja wel.
Ze bedankte me, heel netjes. Té netjes. Daarna zei ze: „Ik snap het hoor, met dat bedrijf van jullie. Alleen… we hadden het anders ingeschat.”
Ik vroeg wat ze daarmee bedoelde.
„Nou ja. Jullie gaan wel twee keer per jaar weg. En Pieter zei laatst dat het lekker loopt.”
Ik weet nog dat ik meteen koud werd. Niet omdat ze ongelijk had dat we weg waren geweest, maar omdat ik voelde dat er al langer over ons gepraat werd.
Ik zei dat vakantie niet betekende dat we ineens een pot geld hadden waar iedereen aanspraak op kon maken. Dat Robs situatie verschrikkelijk was, maar dat hij zelf die investering had gedaan. Dat klonk hard, zelfs in mijn eigen oren.
Natasja werd stil en zei toen: „Niemand zegt dat we recht hebben op jullie geld, Marjan. Maar we dachten dat we vrienden waren.”
De vrijdagavonden zijn daarna niet officieel gestopt. Dat maakt het juist zo ongemakkelijk. Er wordt nog steeds iets in de app gezet. Soms gaan we. Soms verzinnen we dat we al wat hebben. Als we er wel zijn, vraagt niemand rechtstreeks naar de zaak. Maar Henk zegt dan dingen als: „Jullie hoeven zeker niet meer op de aanbiedingen bij de Jumbo te letten.” Met een lach erbij, zodat je moeilijk kunt zeggen dat het gemeen is.
Pieter wil er niets van weten. Hij zegt dat hij Rob echt wel sterkte wenst, maar dat wij niet verantwoordelijk zijn voor zijn keuzes. En rationeel ben ik het daarmee eens.
Alleen mis ik Els. Ik mis hoe ze zonder aankondiging een bak soep voor de deur zette toen mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ik mis de vanzelfsprekendheid van ergens binnenlopen zonder eerst te bedenken of je schoenen wel netjes genoeg zijn, of je iets moet uitleggen.
Misschien hadden we eerder eerlijk moeten vertellen hoeveel risico we namen. Misschien hadden we die vakantiefoto’s niet zo gedachteloos online moeten zetten. Of misschien was het altijd al makkelijker om elke vrijdag vrienden te zijn zolang niemand echt iets nodig had.
Vanmiddag heb ik de groepsapp weer aangezet. Er staat een voorstel van Judith om volgende maand bij haar te eten. Iedereen heeft met een duimpje gereageerd, behalve wij en Rob.
Ik heb de agenda erbij gepakt. Pieter zegt dat hij die avond waarschijnlijk nog naar een leverancier moet. Waarschijnlijk. Ik weet niet of dat waar is.
Ik heb nog niets teruggestuurd.