Mijn man wil onze woonwagen verruilen voor een VINEX-bungalow, maar ik ben bang dat ik mezelf daar kwijtraak

De eerste keer dat Henk zei dat hij weg wilde uit de woonwagen, stond ik met een vergiet in mijn handen boven de gootsteen. Buiten hoorde ik Kees van twee plekken verder zijn slijptol gebruiken. Het was nog geen negen uur. Aan de overkant liep een kleinkind van onze buurvrouw in een Spiderman-pak over het paadje, terwijl het miezerde.

Henk zei: „Hoor je dat nou? Dit is toch geen leven meer?”

Ik zei nog: „Kees is bijna klaar. Hij maakt een hekje voor zijn hond.”

Alsof dat het punt was.

We wonen hier nu ruim vier jaar, aan de rand van Amersfoort. Niet midden in de stad, maar ook niet ergens achteraf tussen de weilanden. Vanaf hier ben je met de fiets in twintig minuten bij de binnenstad, als je tenminste niet onderweg blijft hangen bij de markt. Het kamp is niet groot, een stuk of zestien standplaatsen. Iedereen weet vrij veel van elkaar, meer dan je soms prettig vindt. Maar toen we hier kwamen wonen, vond ik dat juist een opluchting.

Ik had 38 jaar bij een zorgverzekeraar gewerkt. Eerst klantenservice, later klachtenbehandeling. De laatste jaren zat ik hele dagen achter een scherm met mensen die boos waren omdat iets niet vergoed werd, of omdat ze drie keer hetzelfde formulier moesten opsturen. Ik nam het mee naar huis. Ik sliep slecht, kreeg hartkloppingen van mijn mailboxgeluid en deed alsof het wel ging omdat er altijd iemand was die het zwaarder had.

Toen er een regeling kwam om eerder te stoppen, hebben we gerekend, nog eens gerekend, en ja gezegd. Henk was toen al een jaar of twee minder gaan werken in de installatietechniek. Ons rijtjeshuis in Vathorst was afbetaald. We hadden geen enorme pot geld, maar genoeg om niet iedere euro om te draaien.

Het idee van de woonwagen kwam eigenlijk van mij. Mijn tante woonde vroeger op een kamp bij Utrecht en ik was daar als kind vaak. Niet dat ik daar een geromantiseerd beeld van had. Mijn tante kon net zo goed ruzie maken met haar buurvrouw over een kliko als ieder ander. Maar ik herinnerde me de open deuren, de koffie die er altijd was, mensen die niet eerst drie weken een datumprikker nodig hadden om even langs te komen.

Henk vond het in het begin ook leuk. Hij maakte een overkapping, hielp met de elektra bij Sandra naast ons toen haar stroom er steeds uitklapte, en zat op zaterdag regelmatig met een biertje buiten. Hij zei vaak dat het hem deed denken aan vroeger, toen iedereen nog buiten op straat zat.

Alleen is hij de laatste anderhalf jaar veranderd. Of misschien zie ik het nu pas.

Hij ergert zich aan alles. Aan de muziek bij Mo zijn verjaardag, aan scooters die te hard over het terrein rijden, aan kinderen die aanbellen omdat ze een bal in onze tuin hebben geschopt. Aan de buurvrouw die soms zonder kloppen binnenkomt als de voordeur openstaat. Ik snap dat best. Ik hoef ook niet iedere dag mensen over de vloer. Maar Henk zegt niet meer: „Vandaag even niet.” Hij zegt: „Ze hebben hier geen enkel besef van grenzen.”

En dat doet me pijn, omdat hij het dan over mensen heeft die mij juist door een heel lastige periode heen hebben getrokken zonder dat ze dat zelf waarschijnlijk zo zien.

Toen mijn moeder vorig jaar in het ziekenhuis lag, was Henk een week met zijn broer in Zeeland. Hij had dat uitje al lang gepland en ik wilde niet dat hij afzegde. Sandra zette die dagen een pan soep voor mijn deur. Kees reed me een keer naar het ziekenhuis toen mijn auto niet wilde starten. En Trudy, die zelf drie kleinkinderen opvangt, zat op een avond gewoon bij me aan tafel toen ik niet meer wist wat ik met mezelf aan moest.

Niemand zei grote dingen. Ze deden gewoon wat nodig was.

Vorige maand vertelde Henk tijdens het eten dat hij bij een makelaar was geweest. Hij had online een bungalow gezien in een nieuwbouwwijk buiten Leusden. Vrijstaand leek me overdreven, maar het was een hoekbungalow met een tuin, een berging en volgens hem „geen gezeur”.

Ik dacht eerst dat hij zomaar aan het kijken was. Mensen van onze leeftijd kijken wel vaker op Funda. Alsof je daarmee kunt bewijzen dat je nog keuzes hebt.

Maar hij had een brochure meegenomen. Hij wist precies hoeveel vierkante meter het was. Hij vertelde dat de slaapkamer en badkamer beneden waren, dat er vloerverwarming in zat en dat je in de tuin alleen vogels hoorde.

„En de bus rijdt er één keer per uur,” zei ik.

„We hebben een auto.”

„Nog wel.”

Hij keek me aan alsof ik expres moeilijk deed.

Twee dagen later zei hij dat hij een optie had genomen. Een week bedenktijd, zei hij. Dat klonk bijna zakelijk, alsof hij een nieuwe koelkast had besteld.

Ik ben toen kwaad geworden. Echt kwaad. Ik heb gezegd dat hij helemaal niet over mij kon beslissen en dat hij blijkbaar al met één been weg was. Hij werd ook boos en zei dat hij al maanden probeerde uit te leggen hoe ongelukkig hij hier is.

Dat laatste was niet eerlijk van mij, want hij had het wel gezegd. Alleen nooit zo duidelijk dat ik dacht: dit kan ons huwelijk kosten.

Hij zei: „Ik wil niet de rest van mijn leven in een blik op wielen wonen waar iedereen naar binnen loopt en waar elke zaterdag wel ergens een vuurkorf, muziek of een drama is.”

Ik zei: „Het is geen blik op wielen. Het is ons huis.”

Toen kwam het woord waar ik sindsdien steeds aan denk. Hij zei: „Misschien is het alleen nog jouw huis.”

Daarna zei hij dat hij desnoods alleen naar die bungalow ging. Niet als dreigement, zei hij snel, maar omdat hij ook recht had op rust. Hij noemde het geen scheiding. Hij zei dat we dan wel zouden zien hoe het liep. Maar wat moet dat betekenen? Zestien jaar getrouwd zijn en dan ieder in een ander huis wonen omdat de een stilte wil en de ander mensen om zich heen?

Ik heb die avond bij Trudy koffie gedronken. Niet om partij te kiezen, al deed ik dat natuurlijk toch een beetje. Zij zei dat Henk misschien gewoon bang is voor ouder worden. Dat hij ruimte wil omdat zijn wereld kleiner voelt. Ik vond dat een irritante opmerking, maar ik denk er wel over na.

Henk is niet gemeen. Hij heeft me door mijn werkperiode heen geholpen, ook al snapte hij nooit helemaal waarom ik daar zo kapot van was. Hij kookt meestal, hij belt mijn vader elke zondag, en hij heeft nooit gezegd dat ik hier weg móét. Hij zegt alleen dat hij zelf weg wil.

Maar ik merk dat ik bij het idee van die wijk bijna benauwd word. Nette voortuinen, mensen achter glas, een buurtapp over een fout geparkeerde bestelbus. Misschien is dat ook een vooroordeel. Misschien krijg ik daar een fijne buurvrouw en een volkstuintje. Misschien zit ik er over een jaar heerlijk met een boek.

Alleen: ik ken mezelf. Ik zou wachten tot Henk thuiskomt. Ik zou te vaak binnen blijven omdat ik niemand zomaar lastig wil vallen. En als hij dan weer een middag gaat fietsen, zou ik doen alsof ik het prima vind.

De optie is inmiddels verlopen. Henk heeft hem niet verlengd, maar ook niet omdat hij van gedachten is veranderd. Hij zei alleen dat hij geen huis wilde kopen terwijl ik huilend aan tafel zat.

Sindsdien praten we voorzichtig, alsof er iets breekbaars tussen ons in ligt. Gisteren ging hij met zijn broer nog een bungalow bekijken, deze keer in Hoevelaken. Ik bleef thuis. Kees was weer aan het klussen, iemand draaide oude Nederlandstalige muziek en er stonden drie kinderen met krijt op het asfalt te tekenen.

Ik zat buiten met mijn thee en dacht vooral: ik wil Henk niet kwijt. Maar ik weet ook niet meer hoeveel van mezelf ik nog moet inleveren om hem bij me te houden.