Mijn vrouw zorgt voor mijn zieke vriendin, maar ik mag haar bijna niet meer zien

Vorige week stond ik met een schaal lasagne in onze eigen keuken, terwijl Els aan de telefoon tegen iemand zei dat bezoek aan Marijke voorlopig echt niet verstandig was. Ze sprak zacht, maar op die manier die ze heeft als ze haar besluit al genomen heeft.

Ik wist dat ze het over mij had. Niet omdat ze mijn naam noemde, maar omdat ik die middag had gezegd dat ik even bij Marijke langs wilde. Gewoon een halfuurtje. De zon scheen voor het eerst een beetje en ik had gedacht: misschien kunnen we achter in de tuin zitten, met een dekentje als het nodig is.

Els hing op en zei: “Jan, ze heeft rust nodig. Niet weer overal tegenin gaan, alsjeblieft.”

Daar stond ik dan, met die lasagne die eigenlijk voor Marijke en Henk bedoeld was. Ik heb hem uiteindelijk in de vriezer gezet. Dat is nu ruim een week geleden. Hij ligt er nog steeds.

We zijn al bijna vijfendertig jaar bevriend met Henk en Marijke. Niet van die vrienden die je alleen op verjaardagen ziet en dan zegt dat je snel moet afspreken. We aten bijna elke vrijdag samen. Eerst bij hen in Amersfoort, later om en om, toen we alle vier wat minder zin kregen om na een paar glazen wijn nog naar huis te rijden. We gingen jaren naar dezelfde camping in Frankrijk, niet eens omdat die zo bijzonder was, maar omdat we daar ons vaste plekje hadden. Henk deed altijd alsof hij de caravan waterpas kon zetten zonder waterpas. Marijke en Els kregen na twee dagen ruzie over de boodschappenlijst en zaten diezelfde avond samen met een wijntje te giechelen.

Onze kinderen zijn volwassen, wonen verspreid door het land en hebben hun eigen levens. Henk en Marijke waren voor ons geen ‘kennissen’. Zij waren gewoon de mensen die er altijd waren.

In november kreeg Marijke de uitslag. Alvleesklierkanker. Ik kan het nog steeds niet normaal opschrijven. Het klinkt als iets uit een folder in de wachtkamer, niet als iets dat bij een vrouw hoort die vorige zomer nog met nat haar de caravan uit kwam rennen omdat er een egel onder de voortent zat.

In het begin hielpen we allebei waar we konden. Henk was compleet de weg kwijt, wat ik hem niet kwalijk neem. Hij vergat afspraken, betaalde twee keer dezelfde rekening en stond soms om elf uur ’s ochtends nog in zijn pyjama omdat hij de nacht ervoor geen minuut had geslapen. Els ging mee naar gesprekken in het ziekenhuis, omdat zij goed is met lijstjes en doorvragen. Zij belde de wijkverpleging, regelde een maaltijdservice en zocht uit hoe het zat met hulpmiddelen. Voor je het wist, belde iedereen Els.

Ook Marijke.

Dat snapte ik aanvankelijk. Zij en Els kennen elkaar al vanaf de zwangerschapsgym, nog vóór ik Henk kende. Als Marijke bang was, wilde ze Els. Zo simpel was het. Ik bracht boodschappen, reed Henk naar de apotheek als hij te moe was en ging een paar keer bij Marijke zitten om voetbal te kijken, terwijl zij eigenlijk alleen maar met haar ogen dicht op de bank lag.

Maar ergens in februari veranderde het.

Els begon te bepalen wanneer ik mee kon. Eerst zei ze dat Marijke na chemo te misselijk was. Daarna dat Henk overprikkeld raakte van bezoek. Vervolgens was er altijd wel een zorgverlener, een telefoontje, een middagdutje, een slechte nacht. Als ik vroeg of ik zelf even met Marijke mocht bellen, zei Els: “Niet nu, Jan. Ik hoor wel hoe het gaat.”

Alsof ik een buurman was die nieuwsgierig kwam doen.

Het moeilijke is: Els doet verschrikkelijk veel. Dat kan ik niet ontkennen. Ze wast soms Marijkes haar. Ze houdt een schrift bij met medicatie en afspraken, al doet de thuiszorg natuurlijk ook van alles. Ze heeft Henk geleerd hoe hij de bedverhogers moet schoonmaken. Ze zit ’s nachts rechtop in bed als Marijke een appje stuurt dat ze pijn heeft. Ik heb Els een keer om half drie ’s nachts beneden gevonden, met haar bril scheef op haar hoofd, omdat ze een nummer van de huisartsenpost zocht.

Ze is moe. Niet gewoon moe, maar grauw. Ze vergeet koffie te zetten terwijl ze het filter al heeft klaargelegd. Ze snauwt als ik vraag waar mijn schone overhemden liggen, en krijgt vijf minuten later spijt. Soms huilt ze in de badkamer met de kraan aan. Dan doet ze alsof haar ogen rood zijn van haar lenzen.

Ik heb haar meer dan eens gezegd dat dit te veel is. Dat Henk ook familie heeft. Dat Marijke een volwassen dochter heeft in Zwolle die best vaker wil komen, ook al werkt ze vier dagen. Dat er via de huisarts misschien ondersteuning geregeld kan worden. Els zegt dan: “Jij ziet niet wat er allemaal misgaat als ik er een dag niet ben.”

Misschien ziet ze dat beter dan ik. Dat is precies het probleem.

Twee maanden geleden wilde Marijkes zus uit Deventer komen. Ze hadden al een jaar gedoe gehad om iets stoms met de erfenis van hun moeder, maar Marijke wilde haar toch zien. Els vond het geen goed idee. Ze zei dat oude spanningen slecht waren voor haar herstel. Henk vertelde me later dat het bezoek niet doorging, omdat Els tegen de zus had gezegd dat Marijke te zwak was.

Toen ik daar iets van zei, werd Els kwaad. Echt kwaad.

“Jullie romantiseren allemaal wat zij aankan,” zei ze. “Jullie komen binnen met bloemen en herinneringen en daarna mag ik de brokstukken opruimen als ze twee dagen platligt.”

Ik zei dat ze niet namens Marijke kon beslissen wie haar zus mocht zien.

Els keek me aan alsof ik haar had geslagen. “Ik beslis niet namens haar. Ik bescherm haar.”

Henk zat erbij en zei niets. Dat heeft me misschien nog het meest dwarsgezeten. Maar ik zag ook dat hij bang was voor een ruzie die hij niet kon dragen. Hij knikte alleen een beetje naar Els. Later, buiten bij zijn kliko, zei hij dat hij soms niet meer wist wie hij moest bellen als Els niet opnam.

Vorige donderdag heb ik de huisartspraktijk gebeld. Niet om Els weg te krijgen en ook niet omdat ik denk dat ik het beter kan. Ik heb gevraagd of er iemand mee kan kijken naar de verdeling van de mantelzorg en naar wat Marijke zelf nog wil. De doktersassistente zei dat de huisarts dat met Marijke en Henk moest bespreken en dat een wijkverpleegkundige of mantelzorgondersteuner misschien kon helpen. Het klonk allemaal heel redelijk, bijna te redelijk voor wat het thuis losmaakte.

Els hoorde het van Henk, die dacht dat zij het al wist.

Ze zei de hele avond nauwelijks iets. We aten aardappels, sperziebonen en een karbonaadje. Ik had geen trek, zij ook niet. Pas toen ik de vaatwasser inruimde, zei ze: “Dus jij vindt dat ik de boel naar me toe trek.”

Ik zei dat ik vond dat zij kapotging. En dat Marijke niet alleen van haar was.

Dat laatste had ik niet zo moeten zeggen. Ik zag meteen hoe hard het aankwam. Els zette haar kopje neer en zei: “Alsof ik haar bezit. Na alles wat ik doe.” Daarna ging ze naar boven.

Sindsdien gaat ze nog steeds elke ochtend naar Henk en Marijke. Ze kust me vluchtig gedag, pakt haar tas met het schrift, crackers, telefoonoplader en soms schone sokken voor Marijke. We praten over praktische dingen. Of er nog melk is. Of de auto vrijdag naar de garage moet. Maar niet over die afspraak die de huisarts volgende week met hen heeft gemaakt.

Gisteren stuurde Marijke mij zelf een spraakbericht. Haar stem was dun en ze viel halverwege even stil. Ze zei: “Ik hoorde dat je je zorgen maakt. Dat is lief. Ik wil je wel zien, maar niet lang. Misschien als het weer wat warmer is, buiten.”

Ik heb het drie keer afgespeeld. Daarna heb ik alleen teruggestuurd dat ik er ben, wanneer zij dat wil.

Els kwam laat thuis en viel op de bank in slaap, nog in haar jas. Ik heb haar schoenen uitgedaan en een plaid over haar heen gelegd. Vanmorgen lag haar telefoon op tafel te trillen. Henk belde. Ik heb hem niet opgenomen. Ik wist niet of ik daarmee hielp, of juist weer iets afpakte wat allang niet meer van mij leek te zijn.