Na dertig jaar vaste prik dreigen we onze vrijdagavond kwijt te raken omdat mijn man niet meer wil zwijgen

Onze vrijdagavond begon ooit met een pan chili van Kees. Dat is geloof ik ruim dertig jaar geleden. We woonden toen nog allemaal in de buurt van Amersfoort, met kleine kinderen, banen waar je te hard over deed en te weinig aan verdiende, en huizen die steeds te klein voelden.

Nu zijn we met z’n achten, althans, officieel. Kees en Marjan, Henk en Els, Rob en Sylvia, en mijn man Willem en ik. De kinderen zijn de deur uit, twee van ons zijn opa en oma, en we wonen niet eens meer allemaal dichtbij. Toch rijden we vrijwel elke vrijdag naar iemand toe. Om de beurt koken. Soms een stamppot, soms iets uit de Allerhande waar niemand precies aan begint zoals het recept zegt. Na het eten kaarten de mannen meestal of ze kijken voetbal als er iets belangrijks is. Wij drinken nog koffie, dan wijn, en uiteindelijk praat iedereen door elkaar.

Het was jarenlang het meest vaste in mijn leven.

Toen mijn moeder in het verpleeghuis kwam, namen zij zonder gedoe iedere donderdag boodschappen voor haar mee. Toen Willem drie jaar geleden aan zijn hart werd geopereerd, stond Marjan de ochtend van de operatie om half zeven met een thermoskan koffie bij ons voor de deur. Niet omdat ik daarom gevraagd had. Omdat ze wist dat ik anders niks naar binnen kreeg.

Daarom doet dit zo’n pijn. Het gaat niet alleen om een paar gezellige etentjes die dreigen weg te vallen.

Willem is nooit iemand geweest die overal het hoogste woord had. Hij werkte bij de gemeente, op financiën, en thuis zei ik vaak dat hij zelfs bij het kiezen van yoghurt nog een Excel-bestand nodig had. Maar sinds hij met pensioen is, leest hij veel. Kranten, stukken op internet, boeken over economie en geschiedenis. Eerst vond ik dat eigenlijk wel leuk. Hij was altijd zo druk geweest.

Alleen de laatste twee jaar is hij steeds feller geworden. Over asielzoekers, stikstof, Europa, klimaatbeleid, de woningmarkt. Niet op de manier van schelden of rare complotten, laat ik dat eerlijk zeggen. Hij kan het meestal nog behoorlijk onderbouwen ook. Dat maakt het misschien lastiger. Hij zegt dingen als: „We hoeven het niet eens te zijn, maar doe niet alsof er geen nadelen aan jullie plannen zitten.”

Onze vrienden denken grotendeels anders. Vooral Els en Sylvia. Els heeft jaren in het onderwijs gewerkt en haar dochter woont met een vrouw samen. Sylvia doet vrijwilligerswerk bij een taalcafé voor nieuwkomers. Voor hen zijn sommige onderwerpen niet theoretisch. Dat snap ik ook.

In het begin ontstonden er gewoon wat discussies. Aan tafel, met het toetje erbij. Dan zei Kees: „Nou jongens, zullen we het weer eens over iets leuks hebben?” en lachte iedereen een beetje. Willem lachte dan mee, maar ik zag aan hem dat het bleef zitten.

De avond waarop het echt misging was bij ons thuis. Ik had lasagne gemaakt voor acht man, veel te veel natuurlijk, want ik kan nog steeds niet koken voor minder dan een voetbalteam. Het was eind november. Buiten regende het van dat dunne, vervelende spul en iedereen kwam binnen met natte jassen en rode neuzen.

We hadden het eerst over de kleinkinderen van Marjan en Kees. Daarna begon Henk over de verkiezingsuitslag. Hij zei, nogal luchtig: „Nou, Nederland heeft weer eens gekozen voor boos zijn.”

Willem keek op van zijn bord en zei: „Of mensen voelen zich gewoon al jaren niet gehoord.”

Dat was op zichzelf nog niet zo erg. Maar Henk zei iets terug over angst aanpraten, en Willem begon over wijken waar mensen geen woning konden vinden en over beleid dat volgens hem losgezongen was van de praktijk. Sylvia onderbrak hem. Ze zei dat hij deed alsof mensen die hier bescherming zochten een soort probleempost waren.

„Dat zeg ik helemaal niet,” zei Willem.

„Je zegt het niet letterlijk, Willem, maar het is wel steeds waar je op uitkomt.”

Ik weet nog dat ik opstond om de schaal salade uit de keuken te halen terwijl die gewoon al op tafel stond. Ik had even iets nodig om te doen.

Willem werd rood in zijn nek. Dat gebeurt bij hem als hij zich onrechtvaardig behandeld voelt. Hij zei dat hij het zat was om bij voorbaat als slecht mens te worden neergezet zodra hij een afwijkende mening had.

Toen zei Els, heel rustig juist: „Niemand noemt jou een slecht mens. Maar niet elke vrijdagavond hoeft een debatclub te worden.”

Daarna viel er een stilte die veel langer duurde dan normaal. Zelfs Rob, die altijd wel een grap maakt, zei niks. Uiteindelijk zette Kees de muziek wat harder. Alsof dat kon helpen.

De dagen erna deed Willem alsof het hem weinig uitmaakte. Hij ging gewoon wandelen, maakte de schuur schoon, belde zijn broer over iets onbenulligs. Maar hij sliep slecht. Ik ook.

Een week later stuurde Marjan mij een berichtje. Of ik misschien koffie wilde drinken, alleen wij tweeën. Ik wist eigenlijk meteen waarvoor.

We zaten bij Bagels & Beans in het centrum. Zij bestelde muntthee en roerde er toch suiker doorheen, zoals ze altijd doet. Ze zei dat ze zich schuldig voelde, omdat ze Willem niet kwijt wilde. Maar dat de avonden voor haar niet meer ontspannen waren.

„Ik merk dat ik vooraf al denk: als dit onderwerp langskomt, wat gaat hij dan weer zeggen?” zei ze. „En dan ben ik niet mezelf. Dat wil ik ook niet.”

Ik zei dat Willem zich juist niet zichzelf mocht voelen bij hen.

„Misschien,” zei ze. „Maar hij hoeft toch niet iedere gedachte die hij heeft aan tafel neer te leggen?”

Daar had ik geen goed antwoord op. Want ik dacht ook: nee, dat hoeft niet altijd. Tegelijk voelde het laf om dat tegen Willem te zeggen. Alsof ik hem vroeg om zich kleiner te maken zodat wij allemaal een fijne avond hadden.

Afgelopen vrijdag zijn we niet gegaan. Kees had in de groepsapp gezet dat ze eerst met z’n allen, dus zonder ons, wilden overleggen hoe verder. Later belde hij Willem. Ik zat boven de was op te vouwen en hoorde maar losse stukken.

„Dus ik moet mijn mening thuislaten?”

Een stilte.

„Nee, Kees, dat is gewoon een nette manier om te zeggen dat ik alleen welkom ben zolang ik niet lastig ben.”

Nog een stilte, langer dit keer.

Toen hij ophing, zat hij op de rand van ons bed. Hij keek naar de stapel handdoeken die ik blijkbaar verkeerd had opgevouwen, want daar kon hij normaal iets van zeggen. Nu niet.

Hij zei: „Jij kunt best zonder mij gaan, hè. Het zijn ook jouw vrienden.”

Dat raakte me meer dan ik verwachtte. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik me ineens afvroeg of ik dat misschien wel zou doen. Een vrijdagavond zonder Willem aan mijn zijde, bij mensen die hem liever niet horen zoals hij is. Ik schaamde me voor die gedachte en ik was er ook boos om.

Ik zei dat ik niet wist wat ik ging doen. Dat was het eerlijkste wat ik kon zeggen.

Vanmiddag heeft Marjan gestuurd dat ze ons missen en dat ze hoopt dat het niet zo hoeft te eindigen. Willem heeft het bericht gezien, maar nog niet geantwoord. Straks maak ik soep. Te veel, waarschijnlijk. We eten hem dan zaterdag en zondag ook nog.

De groepsapp blijft stil. Elke keer als mijn telefoon trilt, kijk ik toch.